Koehn thuis in Antwrpen? Posts

Koehn als fotograaf (12.1) Antwerpen 1.

Henry Koehn: Stellingen voor beveiligingsmaatregelen in Sint-Paulus in Antwerpen. 12 maart 1941.

 

Het eerste halve jaar van de bezetting kijkt Oberleutnant Koehn overal wat rond. Hij schijnt – hoe kan het anders – gefascineerd te zijn door de kathedraal van Doornik en reist herhaaldelijk naar die stad. Maar echt thuis voelt hij zich vanaf begin 1941 misschien vooral in Antwerpen. Op mooie zondagen neemt hij ook wel eens de trein vanuit Brussel naar Kalmthout, om op de heide te gaan wandelen. Daar kent hij met zijn aimabele persoonlijkheid algauw mensen, o.a. een imker bij wie hij een graag een praatje gaat maken en honing koopt. Misschien heeft Max Winders hem in Kalmthout geïntroduceerd. Die stelt hem in ieder geval voor aan een zwager die midden op de heide een geweldige villa gebouwd heeft. Winders wordt ook een aanloopadres in Antwerpen; waarschijnlijk een cicerone ook, althans op 12 maart 1941. Koehn maakt dan voor het eerst serieus kennis met de stad. En dit bezoek laat sporen na tot in de taal toe van de officier. Koehn sprak graag Nederlands, zijn eigenlijke, (waarschijnlijk al door zijn moeder) verwaarloosde moedertaal. Winders sprak misschien liever Frans, maar hij staat nog dicht genoeg bij zijn oorsprong om het met de Duitsers in het Schoonvlaams af te kunnen.

De gevels in de Gildenkamerstraat, schrijft Koehn, zijn te goed ‘um abgebrochen zu werden’. Mij komt dat voor als neerlandisme. Een Duitser zal in dit geval abreißen, niederreißen schrijven. ‘Abbrechen’ komt in deze betekenis nauwelijks voor. Een gesprek kan afgebroken worden, de punt van een potlood –maar wat ze in Antwerpen kennelijk van plan waren om met die renaissancegevels te doen, dat heet anders.

Doordat ik in Zwitserland woon is mijn Duits misschien niet helemaal loepzuiver. Ik vraag er Lucas naar, maar die verwijst me naar Marc Reynebeau als specialist. ‘Vraag die advies,’ zegt hij, ‘leg het er maar dik op, streel zijn ego, profiteer van zijn besef van minderwaardigheid. Dan zal hij misschien ook te vinden zijn voor Eurykleia’s plan om zijn door onze lezers zo gesmaakte dichtbundel ‘Spelbederf’ bij Het Paradigma opnieuw uit te geven.[1] & [2]

Arthur Cornette, de hoofdconservator van het Museum voor Schone Kunsten kende Koehn al van in de eerste oorlogsdagen, toen hij het schilderij van Van Dyck uit de kerk van Dendermonde teruggevonden had. Nu trekt hij eerst opnieuw naar het museum. Koehn echauffeert zich een weinig omdat er in verband met de restauratie van de Dendermondse schilderijen nog niets ondernomen is. Hij weet dat de eigenlijke specialist voor zulke restauratie Jef Vanderveken is. Maar Vanderveken stond op de zwarte lijst van de katholieken. Hij was een kleurrijke, onconventionele figuur. De intussen overleden Brusselse kunsthandelaar Francis Devaux was bij hem in de leer geweest en kon tot voor een paar jaar onderhoudend over hem vertellen. Vanderveken werkte met Émile Renders samen, met de grote ontmaskeraar van de Gebroe-hoe-hoeders van Eyck, van Hubert ‘als legende’ – en daardoor een van de door het neofeoldale establishment meest gehate figuren. Vanderveken is dus verbrand.

 

In de plaats zou een zekere Bender als restaurator moeten fungeren.

Die heeft de beschadigde schilderijen in ogenschouw genomen eind december 1940. Sindsdien: niets meer. Ook Cornette weet van toeten noch blazen. Koehn geërgerd: ‘Sinds december ’40 is er niets gebeurd.’ Beslist hij op dat moment al om Vanderveken dan maar op eigen houtje te gaan opzoeken? Is hij er zich al van bewust dat Vanderveken de kopie van de Rechtvaardige Rechters geschilderd heeft? Onduidelijk. In ieder geval: hij noteert het adres en het telefoonnummer van Vanderveken in Sint-Pieters-Woluwe, kennelijk van Cornette gekregen.

De eigenlijke queeste naar de Rechtvaardige Rechters schijnt –mede onder invloed van Winders ??? – nu echt te beginnen. Een van de volgende dagen zal Koehn naar het justitiepaleis in Brussel trekken om het dossier Rechtvaardige Rechters te gaan opvragen.

Intussen zijn we nog in Antwerpen.

Henry Koehn: Winders voor het beschotwerk in Sint-Paulus. Cfr. ook: Steekkaart Max Winders.

 

Hij inspecteert de manier waarop de schilderijen van het Museum voor Schone Kunsten opgeslagen zijn in de kelders. En daar is er dan plotseling sprake van ‘Prof. Winders’, met wie hij de stad in trekt.

Ze bezoeken de kathedraal, Carolus Borromeus, Sint-Paulus en Sint-Jacob. Koehn is onderweg om voor de Kunstschutz de beveiligingsmaatregelen die voor het Antwerpse patrimonium getroffen waren te controleren en fotografisch te documenteren. Hij fotografeert ook Winders in de kathedraal en in Sint-Paulus, met die werken op de achtergrond – hierboven nog eens de foto die we al op ‘Steekkaart Winders’ brachten.

Koehn noteert:

‘Houten wand (d.w.z. lambriseringen en biechtstoelen) over de hele lengte bekleed met beschermende panelen. Beelden in het koor omgeven met kisten.’

Henry Koehn: Sint-Paulus, noordelijke dwarsbeuk. Beveiligingsmaatregelen. 12 maart 1941.

 

Die kisten waren gevuld met zand.

Koehn en Winders zakken dan af naar de Wapper (foto’s van het Rubenshuis). Wandelen door het centrum. De put van Quinten Metsijs. Gaan het stadhuis rond, Gildenkamersstraat, naar het Steen.

Koehn was zeker gevoelig voor cultuurhistorische en esthetische waarden, niet alleen in verband met de gevels van de Gildenkamerstraat die dus ‘unbedingt zu gut’ – de markering is van hem – waren om te worden afgebroken.

Hoe zit dat met die Kalmthoutse heide? Ik meen al mijn hele leven te weten dat die pas een beschermd landschap geworden is door toedoen van Duitse instanties tijdens de Tweede Wereldoorlog – vraag me niet waar ik dat vandaan heb. (Met dank aan lezeres ***: De Kalmthoutse heide kreeg inderdaad in 1941 – sic – het statuut van ‘beschermd landschap’.)

Het ziet er naar uit dat de Duitsers zich moeite hebben gegeven om het patrimonium in Vlaanderen, althans in de Antwerpse binnenstad, te beschermen. Koehns foto’s leggen daarover getuigenis af. Deden ze dat overal op die manier? Speelde de speciale relatie met Vlaanderen een rol?

Ik denk soms dat die hele geschiedenis, niet alleen die van de bezetting maar ook die van het Nationaal-Socialisme als dusdanig, ondoorgrondelijk is.

Meer foto’s binnenkort in: Henry Koehn en Vlaanderen. (Koehn als fotograaf (12.2) Antwerpen 2)

 

Coralie Coloratuur

(C.c.A.e.d.)

 

 

_______________________________________________________________________

  1. Reynebeau’s coming-out als kenner van de taal van Goethe werd korte tijd gedocumenteerd op deze webstek. Om zijn optreden nog indrukwekkender te maken werd de tekst tijdelijk ter herziening teruggenomen. Wij verzoeken onze lezers een beetje geduld te hebben.
  2. Het Nederlands-Duitse vertaalwoordenboek van Van Dale geeft Coralie gelijk. Het gezaghebbende Duden-woordenboek sluit ‘abbrechen’ niet uit. Toch, het is: ein Haus abreißen.