Godin gerechtigherid Posts

Diké: geadopteerd & taalkritiek

James Ensor: de Rechtvaardige Rechters.

 

Dikè

6 november 2019

Geadopteerd van: Kai Ehlers via Nachdenkseiten: https://www.nachdenkseiten.de/?p=56143#h03

 

“Last night, the United States brought the world’s number one terrorist leader to justice.”

Zo leidde president Trump zijn triomfantelijke boodschap in, waarmee hij een week geleden de doding[1] van de chef-ideoloog van de “islamitische staat” Abu Bakr al-Baghdadi door een speciaal commando van de Amerikaanse geheime dienst voor de wereld presenteerde.

Het was een “Grote Nacht voor de Verenigde Staten en voor de wereld” aldus Trump verder. “The world is now a much safer Place”, verklaarde hij. En hij bedankte zich bij de in de omgeving van Idlib geëngageerde machten, in de eerste plaats bij de Russen, dat ze het luchtruim boven de plaats Barisha vrijgemaakt zouden hebben voor de Amerikaanse actie. Tenslotte riep hij nog de herdershond die Bagdadi in zijn tunnel zou hebben opgespoord, tot held uit.

(…) ’Recht’, ‘justitie’, ’gerechtigheid’ – dat zijn de mogelijke vertalingen voor het door Trump gebruikte woord ‘justice’. Dat kan iedereen nalezen in de vandaag toegankelijke vertaal-hulpen. Maar waar in deze US- actie – zoals ook in de vroegere van Obama – hebben deze woorden een plaats? Noch recht, noch justitie hebben bij de doding van Baghdadi ook maar de geringste rol gespeeld. En gerechtigheid al helemaal niet. Zolang ‘Gerechtigheid’ erin bestaat mensen te doden[2] zonder een procedé dat conform gaat met staats- of volkerenrecht, onverschillig wat hun ten laste kan worden gelegd, kan er geen sprake zijn van recht, noch van een handelingsbekwame justitie, noch van Gerechtigheid.’

Kai Ehlers.

 

PS: In een geval als dat van ’Collateral Murder’ https://collateralmurder.wikileaks.org/, het met kennelijk plezier doodschieten van ongevaarlijke burgers vanuit een veilige helikopter – zelfs het doodschieten van indiaanse volkeren schijnt bij de voorvaderen van de Amerikanen niet meer lustgevoelens te hebben kunnen opwekken – is ‘moord’ inderdaad het juiste woord.

Voor het Amerikaanse heldenbegrip dat Trump hanteert maakt het niet uit: Amerikaan, hond of coyote, allemaal ‘helden’ onder elkaar. Vermoedelijk is hun communicatiemiddel niet in staat om nuances weer te geven, is het geen echte taal – vandaar dat ze ook niet echt een literatuur hebben. Cfr. ook dat infantiele taaltje van gepretendeerde en verhoopte wereldschokkendheid, trouwens niet alleen bij Trump.

Het opsporen en voorbedacht liquideren van vermoede tegenstanders vanuit drones of andere toestellen hoog in de lucht heet sluipmoord. In een Europese traditie/cultuur staat het vast dat staten of andere organismen die een zekere waardigheid of eer op te houden hebben er hun toevlucht niet toe nemen. Het is iets voor gangsterbendes.

 

 

  1. ‘Doding’, ‘doden’ zijn tegenwoordig meestal eufemismen voor door het Waardenwesten gepleegde moorden of sluipmoorden. Ik respecteer de woordkeuze van de auteur, zonder aanhalingstekens, hoewel ik die in dit geval verkeerd vind.
  2. Correct: ‘vermoorden’.

 

Digitale en andere Apofthegmata (2)

 

Henry van de Velde. Trap Bauhaus Weimar. Foto L.M. 1995.

 

 

Novela.

Juni 2018. Lucas Mariën.

‘Zou je dat niet eh… meer buiten beschouwing kunnen laten… eh,’ fluisterde pater Staf door het traliewerk, ’ik bedoel het gebruik van de deegroller, Stientje. Een vrouw is gewoonlijk fysiek zwakker dan een man, maar ze is sterker door de gevoelens die ze in mannen weet te wekken.’ En zachter, enigszins aarzelend, voegde hij eraan toe: ‘Heb je dat al eens geprobeerd?’

‘De deegroller is de enige taal die hij verstaat,’ snauwde Stientje bijna, maar ze kon zich nog net inhouden. De beste kringen kwamen bij deze gedistingeerde jezuïet om raad en vergiffenis te ontvangen, en tot nu toe had ze zich tegenover hem altijd weten te beheersen. Alleen haar tranen, die kon ze op dit ogenblik niet langer terugdringen.

‘En de gevoelens die je in hem wekt,’ suste de pater kalmerend, met blokfluitstem, ‘misschien zou je die… kunnen versterken.’

‘Hij verstaat zoiets niet.’

Het eikenhouten traliewerk van de biechtstoel maakte het voor de pater onmogelijk om haar een zakdoekje toe te steken, maar hij was zo delicaat het deurtje aan de voorkant open te maken, een stap naar buiten te zetten en haar van buitenaf een heel pakje aan te reiken, zakdoekjes van de Aldi, tussen het paarse gordijn en het hout van de stijl door.

Als hij weer in de biechtstoel zat en de indruk had dat Stientje wat gekalmeerd was, vroeg pater Staf – één en al geduld en zachtmoedigheid:

‘Zou het niet denkbaar zijn… Vrouwen streven in zulke omstandigheden soms wel naar… Een zekere verhoogde lieftalligheid.’

‘Wat bedoel je?’ snauwde Stientje nu echt.

‘Ik heb net iets gelezen… Over de renaissance in Italië. Ik moet zo’n ontwikkelde vrouw als jij bent niet vertellen dat de hele moderne ellende en geloofsafval daar begonnen zijn. Maar ik las dus een boek met ‘novelas’ van Franco Sacchetti. Hij leefde van 1335 tot 1400. Ik heb een biechteling wiens zondenberg zo verschrikkelijk hoog is… Maar hij interesseert zich voor digitale literatuur, voor literaire vormen… apofthegmata en zo… En om hem bij te kunnen staan lees ik dat van Sacchetti. En die heeft een novela geschreven, De kunst van de vrouwen.’

‘En?’

In zijn lange ervaring van biechtvader had de pater nooit zoveel korzeligheid gehoord in een zo klein woord.

‘Wel! Het is niet alleen dat die vrouwen… niet de hele tijd snauwen en kijven! Maar ze schminken zich ook. Een gezicht mag te bleek of te geel zijn – met poeder en pommade weten ze het er te doen uitzien als een roos.’

En hij tuurde door de tralies alsof hij Stientjes toekomstige roosachtigheid al hoopte te zien verschijnen.

 

 

Stientje intussen – wond zich nog meer op. Dacht die aristocratische zwartrok soms dat ze het nodig had zich te versieren? Dat ze thuis in een slonzige bonte nylonpeignoir rondliep, met krulspelden en zonder jarretelles?

‘Als een gezicht niet goed geproportioneerd is en te grote fletse ogen heeft,’ floot zoetgevooisd de pater, die zelf min of meer in vervoering raakte, ‘… welnu… door de kunst der vrouwen, de kunst die Sacchetti bedoelt, wordt dat rechtgetrokken en zien die ogen eruit als vurige valkenogen; een scheve neus – de kunst der vrouwen maakt die recht; vertoont het gezicht de onderkaak van een ezel – meteen wordt dat gecorrigeerd. Ze verbeteren zo nodig de borst en de heupen en slagen erin om zónder beitel dat te bereiken wat Polukleitos en Praxiteles zélf niet tot stand zouden hebben gebracht.’

Hij tuurde nu door het traliewerkje om te zien welke indruk zijn woorden op Stientje maakten en schrok niet weinig, zich ijlings terugtrekkend tot in de verste hoek van de biechtstoel.

‘Ik bedoel maar dat… ook een scharminkel… Het verhaal van Saccetti breekt hier trouwens af… de veertiende eeuw – nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst… Het einde van het manuscript is zoek geraakt…’

Zo moet ook het einde van dit apofthegma in het duister blijven.

 

 

***

Nog eens uit de Liefdesgesprekken van Stientje en Armand. April 2018. Lucas Mariën.

 

‘… en ja, beste vrienden, dus! Meebrengen: fles wijn en goed humeur.’

Stientje, impulsief, klikte de verzenden-toets aan terwijl ze zich afvroeg: waarvoor leef ik eigenlijk? Trouwens, kon iemand in haar positie zo studentikoos vragen om een fles wijn mee te brengen. Jeugdsentiment? Was het eigenlijk wel verstandig geweest, om in deze stemming een party te organiseren? Maar Coralie Coloratuur van de uitgeverij Het Paradigma scheen niet geneigd te zijn haar, Stientjes, boek ‘Steeds Obscuurder’ uit te geven.

Er betond een roman van Zola, Het paradijs voor de vrouw, over een winkelier met een atelier waarin paraplu’s gemaakt werden. Er komt een warenhuis dat de kleine middenstander de das omdoet. Door het internet dreigde ‘in onze epoche’ de schrijnende ondergang van de literaire wereld waarin zij het zo ver gebracht had. In haar boek had ze de paraplu’s alleen moeten vervangen door romans, de hele traditionele literaire wereld ging om zeep. Het was zelfs zo dat je niet meer meetelde als je ‘gewoon’ romans schreef en die bij een uitgeverij publiceerde. Nee, het moest ‘baanbrekend’ zijn en de bestaande literatuur heette intussen post-literatuur!

Wat had ze al moeten uitstaan omwille van haar uitzonderlijke schoonheid. Zo’n schoonheid is beslist niet alleen een voordeel voor een vrouw. Ze trekt wel de aandacht, maar tegelijk wekt ze bij veel mensen een vorm van agressie. Ze vergelijken en voelen zich te kort gedaan of verzetten er zich tegen dat ze onder de invloed ervan komen.

En wat had ze moeten uitstaan omwille van haar buitengewoon verstand. Grote intellecten waren zelden geliefd.

Soms twijfelde ze zelfs…

Hield Armand echt van haar?

Stientje vroeg zich dat al dagen lang in alle ernst af, door de schuld van Coralie.

Zou Armand ook nog van haar houden als ze Julia heette? Of als ze zo lelijk was als de dochter van professor Daas? Of hield hij alleen van haar omwille van haar talent? Of zelfs – ze kreeg haast een kleur – in verband met… die jarretelles?
‘Ik geloof dat ik het niet zou overleven, als ik jou zou verliezen, Armand,’ sprak ze en nam hem nu bij de hand.

‘Ik ook niet.’

‘Jij ook niet? Bedoel je…’

‘Ik zou het ook niet overleven.’

‘Wat? Dat je dood was?’

‘Dat ook niet. Maar ik bedoelde eigenlijk…’

‘Wat dan?’

‘Als ik jou zou verliezen.’

Stientje slaakte een zucht van ontroering en stormde nog resoluter de wenteltrap op.

‘Hoe kunnen we daarover zekerheid verkrijgen?’

‘Je WIL toch weten dat ik zoveel van je hou dat ik niet zonder je zou kunnen…’

‘Hoe kan dat bewezen worden?’

Zo waren ze onder het houden van de interessantste liefdesgesprekken boven op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te A. gekomen.

‘Een sprong van hierboven, die zouden we zeker niet overleven. Die zou het grootste bewijs van onze liefde zijn. Kijk mij nog een laatste keer diep in de ogen, je weet dat ik je helemaal toebehoor, Armand. Bewijs het! We springen!’

Hand in hand stonden ze bij de stenen balustrade.

‘Jij eerst,’ moedigde Armand haar aan.

‘Nee, jij eerst.’

‘Ik zou liever nog een beetje wachten.’

Hij liet ook haar hand al los.

‘Ik denk er nu aan dat ik nog een belangrijke telefoon verwacht. Met de redactie…’

‘Pff – de redactie.’

‘In verband met een interview. Ga al maar, ik kom je later naspringen. Samen sterven is trouwens niet nodig, aangezien – zoals ik net al zei… Ik zou het verlies immers niet overleven!’

Hij gaf haar gauw een zoen op haar wang en stormde met twee treden tegelijk de trap af.

Een interview had absolute voorrang, dat vond Stientje ook, zeker als Armand zou kunnen verkrijgen dat die redactie het interview met háár maakte in plaats van met hem. Maar dat andere…

 

Hoe kon ze ooit zekerheid verkrijgen?

 

***

Volgens een betrouwbaar onderzoek van de universiteit van N.N. zouden negentig procent van de mensen met een IQ van boven de 150 hun stem uitbrengen voor de politieke vleugel van het Paradigma onder leiding van Eurykleia Coloratuur.
Dit hebben de partijvoorzitters van domlinks – we zullen hun namen niet noemen – pas vernomen als ze samenkomen voor het feestje ter gelegenheid van de naamdag van de lichtroze voorzitter, de feestdag van de Heilige John. Op deze voorzitter is Eurykleia bijzonder gebelgd omdat hij een bewonderaar is van de Opus Dei-‘democratie’ in Spanje.
‘Als nu ook nog de super-intelligente kiezers weglopen,’ klaagt de groene voorzitter, ‘dan blijft er binnenkort niemand meer over om nog voor ons te stemmen. Moeten we niet beginnen zeggen dat dat allemaal fascisten zijn?’
‘Ik blijf optimist, Wouter, en vol vertrouwen in de arbeidersklasse en de toekomst. Maar inderdaad, als dat zo doorgaat, dan halen die binnenkort dus 150 procent van de stemmen!’
‘Nee beste vriend, zo erg is het niet. Ze halen immers niet alles, niet honderd, maar slechts negentig procent.’
‘Slechts 135 procent dus. Gelukkig maar.’
‘Hoezo gelukkig? Dat is nog altijd meer dan de absolute meerderheid.’
‘Hoeveel was die ook alweer? Maar maak je maar geen zorgen. Als er echt niemand meer voor ons stemt, dan organiseren we een betoging.’
‘Wij beiden?’
‘En een fijne staking.’

 

***

Als sommige elementen in de afpersingsbrieven van DUA de indruk wekken dat hij een farceur is, als het hele drama geregeld het karakter van een farce schijnt aan te nemen, dan dringt de vraag zich op naar de bijbehorende tragedie.

Georg Friedrich Wilhelm Hegel geeft als mening te kennen dat gebeurtenissen van wereldhistorische draagwijdte zich niet zelden als het ware twee keer afspelen. Karl Marx voegt daar aan toe dat het dan de ene keer als tragedie is dat ze zich voordoen, de andere als farce.

Als de afpersingskwestie in de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS de farce was, wat was dan de tragedie?

 

***

 

Over het scheppingsproces van een kunstwerk is er weinig echt bekend. Johannes Brahms stelt zich het ontstaan van de chaconne uit de partita in d voor viool alleen van Bach als volgt voor: ‘Op één enkel systeem, voor een klein instrument, schrijft die man een hele wereld vol van de diepste gedachten en de geweldigste emoties. Als ik me zou voorstellen dat ik dat stuk zou hebben kunnen maken, hebben kunnen ontvangen, dan weet ik zeker dat de overgrote opwinding en ontsteltenis me krankzinnig zouden hebben gemaakt.’ (Niet gedateerde brief aan Clara Schumann, juni 1877.)

Hierbij valt op te merken dat sommige kunstenaars al blijken van waanzin vertonen zonder dat ze vergelijkbare inspiraties hebben beleefd.

 

***

 

Er bestaat ternauwernood een milieu waarbinnen er harder geroddeld en gelasterd wordt als in het wereldje van de literatuur-simulatie in Huichelarije. Deze bezigheden schijnen typisch te zijn voor hofhoudingen van eunuchen.

 

***

A: Hoé niets is Frank Hellemaalniets?

B: Hellemaal. De naam zegt het zelf.

A: Kan er dan nog iets nietser zijn dan Frank?

B: Hellemaalniets.

A: Ts-ts-ts die Frank. En dan ook nog scribent bij een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen doet denken.

 

***

 

 

Januari 2018. Lucas Mariën.

 

De voormalige verloofde van Coralie Coloratuur die de Huichelarijse krantenberichten voor ons overloopt, signaleerde dat er nieuws was over Roger van Gheluwe, de voormalige bisschop van Brugge. Wij waren net iets aan het schrijven over het begrip justitie in de context van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in 1934 en over de pogingen in die tijd om de definitiemacht over dat begrip te verwerven.

De pedofiele voormalige bisschop van Brugge had plusminus zestigduizend pornografische bestanden op zijn laptop staan – eerder plus. Tot opluchting van het gerecht, nemen we aan, was dat nochtans geen kinderporno, maar een grote verzameling ‘gewone’ porno. Als het kinderporno geweest was, dan had de rechtbank zich met die laptop moeten bezighouden. Bij gewone porno konden ze hem als irrelevant terzijde schuiven.

De advocate van de slachtoffers beweert dat een deel van het materiaal overduidelijk wél kinderporno is. In mei ’17 eiste ze bijkomend onderzoek, maar de ‘experts van het parket’ zijn er intussen nog steeds niet uit. Denkt die advocate soms dat dat allemaal zo gemakkelijk is? Wie moet al die baarden plakken aan die baardeloze kinnen? Wie moet de platte borsten van kleine meisjes tot weelderige boezems doen zwellen? Zestigduizend bestanden fotoshoppen! – Minder werk zal trouwens de vergroting van de vagina’s hebben opgeleverd. Daarvoor konden ze de foto’s van de autopsie van Julie en Melissa gebruiken. De vagina’s van beide kinderen waren kort voor hun dood monsterlijk opengerekt en misbruikt op een tijdstip dat Dutroux in de gevangenis zat. Dat is beschreven door Gerolf Annemans – ik heb er al naar verwezen:

Hoe ontstaat een apofthegma? Niemand weet het, het IS er plotseling. Het Apofthegma over het Latijn dat ik hieronder publiceer, ik weet niet waar het vandaan komt. Als initiator van een literatuurproject dat zich voor justitie interesseert – en voor juist de afwezigheid daarvan – voel ik me verplicht het op dit moment in het licht te geven, al moet ik een zekere neiging tot autocensuur daartoe overwinnen.

Ten eerste is het waar ik vandaan kom een van de grootste verboden, geestelijken aan de kaak te stellen. De censuurplakkaten van keizer Karel V. leggen daar bijvoorbeeld de nadruk op en in de steeds hernieuwde versies ervan wordt het steevast herhaald. De versie van 26 januari 1560 bijvoorbeeld, verbiedt

‘camerspelen, baladen, liedekens, commedien, batementen en refereynen […] daarinne gemenght zijn eenige questien, propositien oft materies beroerende onse religie oft geestelijcke luyden’ (Ramakers, Conformisten etc. cfr. bibliografie. P. 177.)

Pieter Schudematte – ik geef maar één voorbeeld – was een schrijver die in 1547 op de grote markt in Antwerpen onthoofd werd voor een ballade waarin hij de hypocrisie van de minderbroeders op de korrel had genomen (Ramakers, 176). Bij hem dus meteen ook het motief van de huichelarij, het merg van het katholicisme. Pas Walschap heeft ze tot hét monumentale thema van de onderdrukte sector van de Nederlandse literatuur gemaakt – maar er werd al lang vóór hem over geschreven.

De vervolging van mensen als Schuddematte is opgegaan in het collectief onbewuste. In onze breinen roken nog de brandstapels en stinkt het bloed van de gefolterde dichters. De censorschaar in het hoofd, de organisch geworden censuur die zich op deze breedtegraad als zuurdesem verspreid heeft in het genetisch materiaal, samen met verkapte, verholen vormen van reële censuur van buitenaf – het is dit censuurcomplex dat het ontstaan van een echte literatuur in Huichelarije belemmert.

Als een geval als dat van pedo-bisschop Van Gheluwe bekend wordt, dan zijn ze allemaal oprecht verwonderd: wie had zoiets ooit durven denken? Van een bisschop! De collectieve huichelarij heeft geen snaren genoeg op haar spel, geen opengevallen bek die gapend genoeg is, om haar oprechte verbazing tot uitdrukking te brengen. De huichelaar die op de televisie mag komen doen alsof het schandaal iets volkomen onverwacht is, belastert de literatuur, belastert de martelaren als Schuddematte, Poelgier, Onghena, De Heere en, ja, ook nog Gerard Walschap, de Adelaar van Londerzeel, wiens vervolging op een hoogtepunt was op het ogenblik dat de Rechtvaardige Rechters gestolen werden.

Al wie wel eens een boek gelezen heeft en een zekere graad van ontwikkeling bereikt weet dit en is niet verwonderd.

Het is een constante in de literatuur, van Schuddematte tot Walschap en daar voorbij. Ook andere feilen: simonie, aflaathandel, vraatzucht, inhaligheid – werden bekritiseerd, maar seksuele uitspattingen toch het meest. Literair gesproken zijn die productiever, door het contrast tussen de gepretendeerde heiligheid en de realiteit.

Juist het aspect hypocrisie is literaire winst en leidt tot genoeglijke bladzijden. Het is esthetisch niet te versmaden. Bisschoppen als Van Gheluwe en experts in het herkennen van kinderporno leveren waardevolle onvrijwillige bijdragen.

Deze stand van zaken is de belangrijkste reden waarom de literatuur in de zestiende eeuw uitgeroeid werd. Ondanks die drie of vier grote namen heeft ze zich sindsdien nooit kunnen herstellen. De eerste hindernis die iedere schrijver moet overwinnen is die autocensuur. Hij moet de beperkingen doorbreken die buiten de literaire vorm liggen. Dat geldt natuurlijk ook voor verboden die de jongste decennia door de politiek zijn afgekondigd. Dingen die je niet mag schrijven omdat ze politiek niet opportuun zijn. Maar literatuur is een terrein waarop geen enkele overheid iets te vertellen heeft. Ik heb hierover geschreven in het Traktaat van het Alsof. Literatuur mag alles zolang ze de wetten van de tekstgrammatica respecteert, de enige die ze erkent.

De ballade die aan Pieter Schuddematte het leven heeft gekost bestaat vanzelfsprekend niet meer. Uit de schaarse gegevens die niet versmacht zijn in de folterkelders van de christelijke justitie en die toch nog aan het licht zijn gekomen, springt de driestheid in het oog waarmee dichters als hij de waarheid zegden, ondanks het feit dat dat levensgevaarlijk was. Ze hebben kennelijk geen angst, of hebben die overwonnen. De bravoureuze doodsverachting waarmee Poelgier reageert als hij hoort dat ze hem willen onthoofden: waar moet ik dan mijn hoed op zetten? Een hele rederijkerskamer die de tekst van een in beslag genomen toneelstuk gaat terug-eisen bij de overheid. Met grandeur trotseren ze de inquisitie. Een held is iemand die doet wat hij het juiste vindt in de wetenschap dat de afloop voor hemzelf fataal zal zijn. Verschillende rederijkers geven de indruk dat ze hun buik zo vol hadden van het moeten huichelen dat het hun niet meer kon schelen wat er met hen gebeurde. Liever dood dan zo te moeten leven. Maar de mens schijnt ook niet te kunnen leven onder een bestendige terreur en doodsangst zonder dat er een zekere gewenning optreedt, en verachting.

Het komt erop aan deze heroën op een ecologisch-klassieke manier weer tot leven te wekken. We kunnen hun werk niet meer doen oprijzen uit de as, maar de geest ervan. We kunnen restitutie proberen te doen van alles wat door beulszwaarden en brandstapels ongeschreven is gebleven. Van alle met bloed doordrenkte, in bloed gesmoorde literaire mogelijkheden.

Ten tweede: literatuur is niet wat daar in Huichelarije voor doorgaat. Is niet: ingebed, impotent, onbeduidend geneuzel. De vroomste lispelaar, de sukkelachtigste sok en de kwijlendste droppelaar schijnen er te verwachten dat de kunst voor hún plezier bestaat. En zijn verontwaardigd als erop gewezen wordt dat er geen kunst bestaat van een zo verachtelijk niveau dat deze zompig soppende soutanes er iets aan hebben. In werkelijkheid is literatuur juist wat ze niét graag hebben, deze schimmelig dempige lange onderbroeken van de hypocrisie. Zij zijn stof, materiaal. Voor de rest hebben ze met kunst niets te maken.

Literatuur is als de godin van het recht, Dike, die bij Zeus de ongerechtigheden van de mensen aanklaagt en straf vordert. Bovendien, zo staat geschreven ‘registreert ze hun fouten op Zeus’ tafelen’.

Een ‘schrijver zoals het hoort’ heet het bij Lucianus, is een Δικαιος συγγραφεύς, een schrijver die in overeenstemming is met Dike, die Dike toegewijd is. Het is de eigenlijke les van de Rechtvaardige Rechters.

 


Apofthegma over de Latijnse les.


Kunt gij zeggen wat ik hier nu vast heb, Frank? fluisterde pater Staf met honingzoete stem. Toch wist Frank het niet. Zijn mama had hem verboden over die dingen te praten en zelfs na te denken.

‘Wat ik tussen mijn twee vingers heb?’ teemde de pater zo vriendelijk dat Frank, zelfs al betwijfelde hij of er mensen bestonden die van hem konden houden, nooit of te nimmer zou kunnen twijfelen aan de liefde van de pater.

Maar Frank kende nog altijd niet het antwoord op de vraag van de pater.

‘Wel dan Frank,’ sprak de pater vol ijver voor Franks vorming, ‘dat is nu uw roede, Frank. Zeg het mij na, Frank…’

Gehoorzaam lispelde Frank: ‘Dat is nu uw roede, Frank.’

‘Nee, Frank, niet mijn… gij moet dat mutatis mutandis veranderen. Zeg dus niet: uw maar mijn… MIJN roede!’

‘Uw roede,’ zei Frank, maar pater Staf liet daarom zijn piemel nog steeds niet los, zozeer overweldigde hem het plotselinge inzicht dat Frank de uitdrukking mutatis mutandis niet begrepen had, en hij hem ook nog Latijnse les zou moeten geven.

 

 

Digitale en andere apoftegmata (1) staat hier: https://hetparadigma.eu/2017/10/05/digitale-en-andere-apoftegmata/