apoftegma Posts

Apoftegmata (10)

 

 

Lucas Mariën, 25 oktober 2022. Auteur & vertaler.

Zwijgende Gedichten

[Confer over autonomie, gedwongen en vrijwillige censuur:

Het Walschap-initiatief .]

 

De eerste tekst die ik hier vertaal is van Heinrich Heine. Het is niet echt een gedicht, het is het twaalfde hoofdstuk uit zijn ‘Reisebilder’. Het heeft het voordeel dat een vertaler die eraan begint zich niet vastlegt voor maanden of zelfs jaren.

Ik vertaal het alsof het een gedicht zou wezen en schrijf hier alleen maar die dingen uit die echt nodig zijn. Eerst Heines tekst:

 

 

Dan mijn vertaling:

De titel: Hoofdstuk 12

Eerste regel: De Duitse censoren

zevende regel: domkoppen.

De streepjes die de rest van de tekst uitmaken staan voor censuurstrepen. Uitgevers waren gedwongen manuscripten vóór publicatie voor te leggen aan een censurerende instantie. Die kwamen dan vaak – zeker als het om werken van Heine ging – terug vol doorhalingen en onleesbaar gemaakte passages. Áls ze überhaupt werden teruggestuurd en gepubliceerd mochten worden.

*

Mijn tweede vertaling is die van een gedicht van Christian Morgenstern dat als volgt luidt:

Fisches Nachtgesang


‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿

 

Er bestaat onder meer een Angelsaksische poging om dit beroemde gedicht te vertalen. Een zekere William M. Calder heeft bij zijn vertaling zelfs een heel opstel geschreven: Translating Morgenstern. In: Oxford German Studies 4 (1969).

Het spreekt vanzelf dat zo’n Brit zich alleen maar aan een vertaling kan wagen met desastreuze gevolgen.

Van de titel maakt hij: ‘Nocturne of a Fish’.

Kent klaarblijkelijk geen Engels ook niet. Is ‘nocturne’ soms hetzelfde als ‘Nachtgesang’? Maar dat zien we nog door de vingers. Kan komen door de taalarmoede van het Engels.

Nachtgesang is algemener dan nocturne, kan ook iets anders zijn. Bijvoorbeeld als het Belgisch leger bij de nachtelijke bestorming van een strategische heuvel vol Russen bij wijze van krijgsgezang een wilde Brabançonne aanheft, dan kun je dat onmogelijk een nocturne noemen, hoe diep in de nacht de operatie zich ook afspeelt.

Zeker is: als Morgenstern bedoeld had ‘Nocturne’, dan had hij geschreven ‘Nocturne’.

*

Angelsaksers kennen alleen maar popmuziek.

Maar hoogmoedig menend te kunnen meepraten, zelfs als het over muziek gaat, wauwelen ze maar raak. En altijd de schijn willen wekken dat ze op een hoger niveau staan dan in werkelijkheid het geval is. (Zou die Calder misschien een Amerikaan zijn?) Nocturne, daarbij denkt iedereen natuurlijk meteen aan Chopin. Chopin was een Fransman die begrijpelijkerwijze alles in het werk heeft gesteld opdat niemand te weten zou komen dat hij oorspronkelijk uit Polen kwam.

‘Nocturne of a fish’ – volgens Calder is er maar een vis, die zingt: ‘a fish’.

De oorspronkelijke tekst is algemener. Het gaat niet om één enkel toevallig individu, het gaat om dé vis, als soort. Door Calders onbepaald lidwoord wordt die gereduceerd tot een enkel geval. Het oorspronkelijke, algemene vissendom wordt verlaagd tot anekdote. Dat is journalistiek in plaats van poëzie.

Sinds de Angelsaksische bemoeienis met cultuur vanaf de tweede Wereldoorlog wordt iedere gelegenheid aangegrepen om de literatuur naar beneden te halen en fenomenen als journalistiek op te krikken.

En rock, of pop, hoe heten al die dingen, in plaats van muziek.

Die éne, individuele in plaats van algemene, vis sluit immers iedere meerstemmigheid uit.

Bij Morgenstern houden álle vissen er zulke nachtelijke gezangen op na, zodat meerstemmigheid en zelfs koorzang mogelijk wordt. Dat alles wellicht zelfs polyfoon – daarover geeft het gedicht geen uitsluitsel.

In ieder geval is Fisches Nachtgesang bij componisten verrassend populair als liedtekst. Een van de meest geslaagde versies is die van de Russische componiste Sofia Gubaidulina, die op YouTube bekeken – en vooral beluisterd! – kan worden:

https://duckduckgo.com/?q=Fisches+Nachtgesang&t=brave&iax=videos&ia=videos&iai=https%3A%2F%2Fwww.youtube.com%2Fwatch%3Fv%3D

Je kunt natuurlijk ook gewoon de zoekwoorden Fisches Nachtgesang en Gubaidulina ingeven.

Tot zover de Angelsaksische vertaalkunst in de titel van het gedicht.

Zeker is: als Morgenstern bedoeld had een vis, dan had hij geschreven Eines Fisches Nachtgesang.

Behalve in de titel schijnt de vertalingsspecialist van Oxford geen fouten te hebben gemaakt.

We geven hier zijn vertaling van de rest van het gedicht weer.


‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿

Christian Morgenstern zelf maakt de opmerking dat Nachtgezang van een Vis het ‘diepste’ Duitse gedicht is dat er bestaat.

Als je gewoon naar de tekst kijkt, je houdt die perfect verticaal voor je ogen, dan zie je niet alleen de beweging van het water en van de vissen en misschien de weerspiegeling van de maan op het water – je ziet ook, kijk maar goed – je ziet ook: diepte.

Ik heb een boekwerk in tien delen dat Deutsche Lyrik heet en dat duizenden gedichten bevat, van de middeleeuwen tot in de twintigste eeuw.[1] Ik heb natuurlijk niet al die boekdelen pagina per pagina verticaal kunnen houden, maar steekproeven heb ik gedaan en grondiger heb ik het deel van 1600 tot 1700 bekeken.

Als voorlopige, niet wetenschappelijke bevinding kan ik Christian Morgenstern alleen maar gelijk geven: geen enkel Duits gedicht heeft die diepte.

*

Ziehier nu mijn vertaling:

Nachtgezang van de Vis


‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿       ‿       ‿
—     —     —
‿       ‿

 

Over de vertaling van de Ilias van Karel van de Woestijne werd gezegd dat ze moeilijker te lezen was dan de originele Griekse tekst. Maar er bestaan ook vertalingen die de reputatie hebben dat ze beter zijn dan het origineel.

Ik hoop dat Coralie Coloratuur niet vergeet in mijn biografie te vermelden dat ik de vertaler ben van deze twee fraaie literaire werken.

 

_______________________________________

  1. Uitgegeven door Walter Killy, München 1969.

 

 

Apoftegmata (6)

 

Prijsvraag

1 oktober 2019. Lucas Mariën.

 

Wij hebben apofthegmata vroeger gekarakteriseerd  als de kleinste teksteenheden die als literatuur herkenbaar kunnen zijn. (Apoftegmata. De kinderschoenen van de literatuur?)Voorbeelden waren kalenderbladen, grapjes, raadsels, fabels, aforismen… Het hier volgende is een prijsvraag.

Sommige vrouwen, overwoog Stientje, kwamen in contact met de interessantste mannen van hun tijd. Vrouwen die Poesjkin, Manet, Beethoven kenden. George Sand had met Flaubert gecorrespondeerd en Adele Schopenhauer was van kindsbeen af met Goethe bevriend geweest, tot aan diens dood en tot ze zelf toch al vijfendertig was.

Onbewust verstrakte Stientje haar houding een beetje, liet de schouders minder hangen, stak de borst vooruit en wreef met de wijsvinger over haar snorretje. Hoewel ze alleen in de keuken was probeerde ze toch haar schort zo haastig en zo onopvallend mogelijk uit te doen.

Een terrine tomatensoep met balletjes. Daarna erwtjes en worteltjes met worst. Tenslotte vanillepudding. Stientje was eigenlijk geen voorstander van het kindertaaltje dat veel geliefden met elkaar spreken, maar ze had nu eenmaal toegestaan dat Armand haar tutoyeerde. Ze vond het ook niet meer zo erg dat hij haar Lammetje noemde. En dat zij dan Beertje of zelfs – soms – Leeuwtje tegen hem zegde.

‘Tuut – tuut,’ liet ze nu verluiden, aan het adres van Armand die in een shirt van voetbalclub KV Mechelen in de deur stond, zijn voetbalschoenen in de handen. Zelfs grote dichters hadden hun menselijke kanten.

‘Tuut,’ herhaalde ze nog eens, maar door zijn hoofdtelefoon waarin luide popmuziek weerklonk kon hij haar niet verstaan. Uit zijn rechter broekzak stak het opgerolde nieuwste nummer van een weekblad, dat trouwens gespecialiseerd was in popmuziek en voetbal. Armand was de interessantste man die zij tot dusver had leren kennen.

Terwijl ze met de terrine voorbij gleed kneep hij zo hard in haar billen dat ze de soep ei zo na liet vallen en gefroisseerd uitriep:

‘Allez, Armand! Waar zijn uw manieren?’

En nog gebelgder – toen ze zijn niet-begrijpend gezicht zag – voegde ze hier aan toe:

‘Zijde nie beschomd.’

 

Adele Schopenhauer was zélf natuurlijk ook iemand geweest. En George Sand – vanzelfsprekend. De vriendschap van Manet en Berthe Morisot was bevruchtend geweest voor de kunst van beiden. Zijzelf mocht wel blij zijn dat ze Armand ontmoet had, mijmerde Stientje. Het oude adagium dat A-mensen A-mensen kiezen, en B-mensen C-mensen, dat werd hier nog maar eens bewaarheid.

 

De prijsvraag luidt: welke van de door Stientje in dit apoftegma gedane uitspraken is een citaat?

 

Apoftegmata 4. Nog eens literaire invloed.

 

Lucas Mariën. 13 februari 2019

Aanknopend bij de Bloomiaanse, post-moderne, Amerikaanse angst voor invloed in de kunst.
Dat hij ‘niet oorspronkelijk’ zou zijn geweest, dat was het belangrijkste bezwaar tegen Paul van Ostaijen toen die nog leefde – het belangrijkste uitgesproken bezwaar dan wel, want de eigenlijke bezwaren die ze tegen hem hadden werden niet uitgesproken: niet katholiek genoeg, niet integreerbaar in de feodale machtsarchitectuur, ordeverstoorder voor het Zwarte Paradigma. In de publicistiek over Van Ostaijen kunnen nog sporen van dat verwijt worden aangetroffen tot in recente tijden. Dat komt ten dele ook door de afwezigheid van ethisch-esthetische principes. Als bekend wordt dat Max Frisch zich heeft laten inspannen in het Congress for Cultural Freedom van de CIA dan staat heel Zwitserland op z’n kop en vragen de Helvetiërs zich af of Frisch nog wel kan meetellen als schrijver. Iemand als Hugo Claus intussen, die kon decennia lang de grootste bocht afscheiden en openlijk corrupt zijn – en in Huichelarije vindt iedereen dat normaal. Ik zal daar hier niet verder op ingaan, maar er zijn in dat land geen criteria, geen literaire principes waaraan schrijvers gemeten worden – behalve de rol die ze spelen in het ingebedde bedrijf van post-literatuur. Is ‘oorspronkelijkheid’ goed of slecht? Ze hebben geen idee en praten maar na, vooral als ze tot de ‘linkse’ – d.w.z. niet katholieke – vleugel van het establishment behoren, want dan zijn ze nog dommer dan de katholieken zelf.
Het is een beginsel van de ecologische klassiek dat alles wat we moeten weten, te vinden is in de literaire traditie. Als voorbeeld een fabel over… invloed. Van Gotthold Ephraim Lessing (Fabels 2.1. Dl. 1/150.)

 

 

Het bronzen beeld.

Het bronzen beeld van een voortreffelijke kunstenaar smolt door de hitte van een woedende brand tot een vormeloze klomp. Deze klomp viel een andere kunstenaar in handen en die maakte er met al zijn vaardigheid een nieuw beeld van, van het eerste verschillend in wat het voorstelde, maar eraan gelijk qua goede smaak en schoonheid.

De nijd zag dit en knarsetandde. En vond er als schrale troost het volgende op: ‘Die brave man zou dit heel passabele stuk ook niet hebben kunnen voortbrengen, als hij daarbij niet had kunnen teruggrijpen op de materie van het oude beeld.’

Lessings fabel is niet alleen een leerstuk over invloed, hij is tegelijk een voorbeeld van een sterk apoftegma.

3

Een vriendelijke lezer heeft opgemerkt dat er in onze webstek al eens teksten als apoftegmata zijn binnengesijpeld die dat in strikte zin niet zijn. Bijvoorbeeld iets uit een interview met Peter Handke, interessant weliswaar – maar dat volstaat niet om literatuur te wezen.

Een zin als wie laatst lacht, best lacht kan krachtig geformuleerd zijn en een behartenswaardig inzicht bevatten – literatuur is het daarom nog niet. Van Dales definitie van apoftegma als ‘zedespreuk’ schiet tekort.

Vrede is niet alles, maar zonder vrede is alles niets is dan weer wel een apoftegma. Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme of tussen een frase en een banaliteit? Een maxime als rust roest kun je voor waar en waardevol houden en wordt gekenmerkt door een extreme gebaldheid. Dat stafrijm bovendien, het feit dat in de twee woorden alleen de klinkers verschillen – strakker kan de vorm niet zijn. Maar is het een apoftegma?

Er bestaan veel belangrijke teksten die geen literatuur zijn: de Apologie van Willem van Oranje – ook de Biëncorf van Marnix van Sint-Aldegonde trouwens – het boek over en met de X-dossiers van Bulté, De Coninck en van Heeswyck, de Verhandeling op d’ onacht der moederlijke taal van Jan Baptist Verlooy, Salut en Merci van Walschap…

Maar als belangrijkste eigenschap van het apoftegma hadden we aangevoerd dat het, hoe kort het ook is, als literatuur herkenbaar moet zijn.

Over het begrip zelf bestaat er ook geen eensgezindheid in naslagwerken – Van Dale wordt kennelijk beïnvloed door de christelijke opvatting dat de vrome frase alleen al alles in de schaduw stelt en iedere kunst overbodig maakt. Maar wij blijven bij onze vroegere definitie van het apoftegmata als de kortste als literatuur herkenbare teksten: ‘Apoftegma is een verzamelnaam voor dergelijke mini-literaire uitingen: aforismen, fabels, epigrammen, bonmots, raadsels, kalenderverhalen, moppen…’ Dat was het uitgangspunt voor onze literaire atoomtheorie: uit de kleinste deeltjes leren wat de literaire materie zelf is. Er staat iets op stapel dat in de maand maart zal verschijnen en waarin we dit onderzoek voortzetten

Intussen blijven er dus die behartenswaardige, interessante teksten die geen literatuur zijn, en we willen een inflatie van het apoftegma-begrip niet in de hand werken. Daarom voeren we een rubriek Bedenkingen op deze website in om dit euvel in de toekomst te verhelpen. Iets wat ons onder ogen komt, te binnen schiet, dat ons het meedelen waard lijkt en geen literatuur is, komt vanaf nu daarin. Met dank aan de lezer die ons op de wantoestand opmerkzaam maakte.

Maar eerst willen we eens kijken of we van een anekdote in sommige gevallen misschien een apoftegma kunnen maken.

We nemen een belangwekkend, relevant, redelijk goed geschreven fragment uit een brief van Gust Gils aan Freddy de Vree van 1 juni 1963.

4

Gils was een dichter die ook veel korte, apoftegma-achtige prozastukken geschreven heeft. Hij behoorde tot het onderdrukte deel van de Nederlandse literatuur, en daarin tot de meest onderdrukten omdat hij meer kón. Wellicht ook omdat hij zich niet liet corrumperen – zoals uit het fragment zal blijken.

Een tijd lang was hij bevriend met Willem Frederik Hermans.

De heer en mevrouw Hermans (pak met das, hoge hakken, plooirok) komende uit Haren (Groningen) en per sportwagen te Brasschaat/Heide verschijnend, namen bijvoorbeeld deel aan tuinfeesten bij Gils, waar dassen en plooirokken veeleer zeldzaam waren en waar het meer een huishouden van Jan Steen leek. Ook hippies en chaoten waren hier thuis, naar verluidt – maar ik wil niet meedoen aan die manier van voorstellen van Hermans als stijve Hollander en Gils als ongewassen heikeuter. Het is eigen aan de katholieke maatschappij dat ze niet alleen geen literaire principes heeft, maar ook geen morele. Ze leeft van catechismus in plaats van ethiek – het is frase, nooit aforisme. Maar niet zeldzaam zijn de ‘andersdenkenden’ die in de grond de katholieksten van allemaal zijn, met even weinig of nog minder idee van vriendschap of ethiek in het algemeen als van literatuur. Als er sprake is van Gils en Hermans beginnen ze steevast over die maatpakken, en dat er bij Gils nog Brasschaats heidezand in de sla zat, die de Hermansen dan moesten opeten.

Voor Hermans speelden dergelijke bijkomstigheden geen rol. Aangenomen worden kan, dat Gils in dat opzicht op zijn niveau stond.

Hun vriendschap zal gesteund hebben op een idem velle atque idem nolle, een alleszins partiële overeenstemming in ideeën, bijvoorbeeld beider interesse voor het surrealisme. Daarenboven zal Hermans de integriteit van Gils hebben gewaardeerd. En dus ook enkele teksten. Gils is een van de zeer zeldzame tijdgenoten over wie Hermans ooit iets positiefs heeft geschreven.

Hij was een schrijver van een soms ziener-achtige inspiratie, had invallen die iemand de adem afsnijden als het onverwacht binnenkomen van een heel mooie vrouw in een kamer. Die momenten zijn nochtans zeldzaam en de dwang om boeken te produceren was kennelijk groot, zodat hij te veel boeken gemaakt heeft met te weinig inspiratie. Ook hield hij zich met nog te veel andere dingen bezig. Kortom, Hermans zal tamelijk snel hebben begrepen dat het bij die enkele flitsen zou blijven. De echte grote schrijver Gils, dat zou er niet van komen. Hermans’ interesse voor hem taande.

Tenslotte was Gils ook niet selectief genoeg in zijn omgang. Er heerste in Brasschaat een bestendig gevaar om zich te encannailleren, er Hugo Claus tegen het lijf te lopen en dat soort dingen.

En nog iets dat Hermans niet bevallen zal hebben: Gils schreef de op dat moment modieuze ‘anti-autoritaire’, ‘demokratiese’ spelling zonder hoofdletters e.d. – wij geven die hier vanzelfsprekend weer zoals ze in de brief staat. Maar ‘ostrasisme’ is dus ‘ostracisme’, in de hier toepasselijke tweede betekenis bij Van Dale ‘het streng weren van iets of iemand’.

De schrijver begint over zichzelf in de derde persoon:

‘Gils moest verleden dinsdag voor TV komen: rubriek ‘vergeet niet te lezen’. te interviewen door Huub Laampeau. tot daar toe: humor van situasie te appresiëren. ik heb geweigerd om andere redenen: de laatste jaren is men me bij 4 gelegenheden [= publikasies] totaal willekeurig voorbijgegaan, terwijl de grootste sukkels, obskuranten, pastoors en parochianen regelmatig bij elke tipografiese scheet op het scherm kwamen. ik heb zelf nooit moeite gedaan, maar vind niettemin dat men mij nu eerst een woordje uitleg over dat ostrasisme verschuldigd is. dat woordje kan er niet af: Van Herrewegen [geniale dichter in zijn vrije tijd –want zich tot staatsprijs hebbend opgewerkt] kan alles maar “betreuren”. soit. ja, ik heb ongelijk, ieder zegt het. maar zelfs voor 1000 fr. speelt geen kolleksie boerenlullen met mijn voortplantingsapparatuur.’

Het gaat over een situatie die iedere bewoner van die illustere contreien eigenlijk kent – Walschaps wat iedereen weet maar niemand schrijft. Wie Hubert van Herreweghen was begrijpt de lezer uit de context: chef van Vergeet niet te lezen, literaire simulant, katholieke nulliteit.

5

Maar in tegenstelling tot Lessings fabel ontbreekt er aan ons brieffragment iets om literatuur te zijn! Het fragment is niet als dusdanig bedoeld, okay, toch is de gereveleerde stand van zaken hoogst relevant – waarom dan geen literatuur?

Lessings fabel heeft niet alleen die afgeronde vorm, die status van fabel – dit wil zeggen van echte literaire tekst. De anekdote wordt bij hem tenslotte op een ander plan getild – wordt inzicht in een algemene regel. Lessing geeft er een draai aan waardoor de lezer een verhelderend moment beleeft – dat was volgens hem ook een noodzakelijke eigenschap van de kunst: ze moest inzicht bevorderen.

De verblinde nijd die niet in staat is het verschil tussen vorm en inhoud te zien – of die dat moedwillig weigert – die de materie uitroept tot de eigenlijke drager van betekenis en die de gever van de betekenis verlaagt tot profiteur van juist dat wat hij achter zich laat.

Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme? Die ‘zedenspreuk’ van Van Dale, dat is trouwens ook een fixatie op alleen maar de inhoud, de materie. Dat is Hegel, romantiek.

We zetten eerst een titel boven ons fragmen: ‘Ostracisme’. Onze eigen conclusie plakken we er aan het einde gewoon aan. Ze luidt:

‘De belangrijkheid van een schrijver kan in Huichelarije worden afgemeten aan het aantal sukkels dat ze moeten mobiliseren om hem te overstemmen; zijn adelbrieven bestaan uit het betreuren door de Huberten van Herreweghens en uit de honoraria die hij niet heeft willen incasseren.’

Hebben we het probleem hiermee opgelost? Aan de lezer om erover te oordelen.

Gils was niet te koop en alleen al daardoor opmerkelijk. Het stond bij voorbaat vast dat hij geen carrière zou maken. Hij kan als voorbeeld gelden, als ethisch fenomeen, maar dat maakt het voor de gelovers alleen maar erger. Het moet te allen prijze voorkomen worden dat er iets ontstaat als in Zwitserland, een ethisch harnas, een bewustzijn van goed en kwaad, ook in de kunst – kortom een geweten. De schaapjes hebben dat niet nodig, het volstaat dat die zich door hun herders laten leiden.

Om tenslotte nog even terug te komen op dat bezwaar tegen Van Ostaijen, dat ‘niet oorspronkelijk’ zijn. Dat was misschien ook verklaarbaar doordat het ondergaan van invloed impliceerde dat de schrijver in kwestie ‘slechte boeken’ las. Alles wat het lezen waard was, was immers verboden lectuur. Een schrijver die de leerschool van de literatuur doorlopen had, was per se des duivels.

6

Een raadsel om dit apoftegma af te ronden.

Wat is:

Frase, geen aforisme

Gewetenloos, van vrome praatjes vol.

Geen ethiek, maar catechismus.

Geen literatuur, alleen gezwets.