Literatuur Posts

Literair populisme en ecologische klassiek 2

 

Lucas Mariën. 2 december 2019.

7 januari 2020:

De twee hoofdstukken van

Literair Populisme en Ecologische Klassiek

die hier op het einde van 2019 stonden, komen in mijn boek Ecologische Klassiek.

 

Beschermd: Het ongeschreven boek. 5/27 Orthodoxie.

Deze inhoud is beschermd met een wachtwoord. Vul hieronder het wachtwoord in om het te bekijken:

Over ‘De Zwijgende Profeet’.

Eurykleia/ Het Paradigma. September 2019.

 

Over De Zwijgende Profeet.

 

Als we onze toekomst al achter de rug hebben, kan een profeet zijn beroep dan nog behoorlijk uitoefenen? Is hij dan niet technisch werkloos? Als zijn ambt erin bestaat, uitspraken te doen die betrekking hebben op wat nog moet komen, wat kan hij dan zeggen als er niets meer op komst is? En als de verkondiger in gebreke blijft, hoe weet de wereld dan of er nog wat komt na het aanbreken van het niets?

De Zwijgende Profeet brengt verslag uit over de belevenissen van prof. dr. Jos Zoetesmeer, de populaire huistheoloog van Het Paradigma, op het landgoed Teruaen. Hij wordt daar uitgenodigd door April Houschilt, een bekende mediafiguur die doorgaat voor een van de aantrekkelijkste vrouwen van het land. Zeven jaar geleden heeft Zoetesmeer op hetzelfde landgoed al eens deelgenomen aan een seminarie over Het Goede in de Mens. Hij leerde daar toen een jonge Baltische theologe, Ulla, kennen – in zijn leven een eenmalige en onvergetelijke gebeurtenis. Maar nu is het April, die zich op Teruaen geïnstalleerd heeft, samen met een aantal niet-alledaagse figuren onder wie de Zwijgende Profeet zelf. Zij heeft de leiding van de media-afdeling van de geloofsgemeenschap die zich rond hem aan het vormen is. Ze hoopt nu dat de erkende moraaltheoloog Zoetesmeer voor het project gewonnen kan worden – of dat hij er tenminste over zal schrijven in het Ochtendgloren, een linkse krant met een voorliefde voor theologen als medewerkers. Zal April erin slagen hem op haar hand te krijgen? En in welke relatie staat ze tot de Ulla van zeven jaar geleden, die haar precies deze theoloog zou hebben aanbevolen? Dan is er ook nog een kind op Teruaen, een meisje met wie Zoetesmeer een geheimzinnige band schijnt te hebben en in wie hij een toekomstige grote moraliste ziet.

‘Gewoonlijk wordt het leven van moraaltheologen eenzijdig afgeschilderd als arm aan belevenissen, behalve dan van geestelijke aard,’ meent Zoetesmeer.

Toegegeven: in de kunst werd zijn beroep inderdaad gediscrimineerd, in vergelijking met bijvoorbeeld cowboys, detectives, prinsen en gerechtsdeurwaarders. Eindelijk dus nu de eerste roman waarin een moraaltheoloog de hoofdrol speelt! Maar die ook voor de rest ‘vol zit met menselijke lotgevallen en tragedies’ – dit boek kan niemand onverschillig laten.

In overeenstemming met de inzichten van de Ecologische Klassiek richt De Zwijgende Profeet zich tot lezers met een zeker niveau. In verband met deze problematiek publiceren we dezer dagen op deze website een tekst ‘Literair populisme en ecologische klassiek’.

Mogen we ook nog eens terugkomen op wat we naar aanleiding van de publicatie van Schadow schreven, en de geïnteresseerde lezer de herlezing aanbevelen van Tussenbouw en post-literatuur. N.a.v. “Schadow”.

De Zwijgende Profeet
Berlijn 2019
202 pagina’s
18 euro– Verzending inbegrepen

Bestelformulier :  Klikt u hier

Gecomprimeerde reynebeau met certificaat

 

14 maart 2019. Eurykleia.

 

Deze keer heb ik een kunstwerk gemaakt. Mijn eigenlijke beroep en roeping als beeldend kunstenares was op deze website al te zeer in de schaduw gebleven. Prof. Zoetesmeer zei het ook: ‘Eurykleia,’ zei hij, ‘als je niet de heilsgeschiedenis in wilt gaan als politiek commentator of als schrijfster van het kerstverhaal, zul je nu toch eens als beeldend kunstenares voor het voetlicht moeten treden.’

Dat heb ik gedaan en hier is het nu:

 

De gecomprimeerde reynebeau

met certificaat

 

De gecomprimeerde reynebeau is een balpen (designtype Cosima) in het blauw van Athene. Er bestaan nog veel andere kleuren, genoeg om een heel oeuvre in te graveren, maar ik heb dus deze keer voor de godin van de wijsheid gekozen.

Naast het logo van het Paradigma, dat we op de pen hebben laten aanbrengen, staat een citaat uit de bundel Spelbederf van Marc Reynebeau.

Met deze pen in uw hand zal het moeilijk zijn géén Vl. poëzie te schrijven! Je zet de punt nog maar op het papier en daar vloeien de gedichten al. Ze komen ter wereld als konijnen, zo vruchtbaar is deze pen.

U kunt kiezen uit vier inscripties:

(1) De sigaar/maar ook een beetje god.

Deze pen is al zo goed als uitverkocht door de grote aandrang van professoren, Zoetesmeers collega’s.

Ik hoop dat deze verzen hun weg zullen vinden naar het collectief onbewuste, dat ze het bezit zullen worden van het hele volk en zullen opgaan in de alledaagse taal. Zoals het tweede vers bijvoorbeeld, waarom zou dat geen begroetingsformule kunnen worden? ’s Morgens op kantoor, in de lerarenkamer… begroet mevrouw A een collega:

 

(2) Ze zegt: ‘De valleien.’

Collega B antwoordt: ‘Van somber zelfbeklag.’

 

Bij wijze van groet en wedergroet. Of:

 

Transgenderist C zegt: ‘Een glijbaan.’

En Prof. Daas: ‘Om op stil te zitten.’

 

Nee, pardon, dat laatste is er nog niet bij, bij de huidige oplage. Maar dit wel, wel meer een monoloog:

 

(3) ‘Een paar miljard miserabelen

Ook jij, lezer, en ik zelfs.’

 

Het vierde vers is dan weer geschikt voor bijzondere gelegenheden, als rouwbeklag bijvoorbeeld. De condoleant zegt

 

(4) ‘van de aandriften het toilet’.

De overledene antwoordt: ‘met daarin het proces ervan’.

 

De prijs voor dit eenmalige kunstwerk, voor één gecomprimeerde reynebeau is 22 €. De vier pennen samen voor 69 €. Vergeet u vooral niet te vermelden welke inscriptie u wenst.

Bij ieder exemplaar hoort een door mij, Eurykleia, getekend certificaat. Epigonen, vervalsers, profiteurs zouden kunnen proberen de reynebeau na te maken en eventueel zelfs minder ernstige apocriefe (!) teksten op de schacht te zetten! Maar met ons certificaat bent u veilig, en alleen de ware poëzie van de grote Marc krijgt een zo prominente plaats.

De geboorte van dit kunstwerk gaat natuurlijk gepaard met een geweldig atelierfeest. Maar vooralsnog moet dit in beperkte kring plaatsvinden omdat de omstandigheden het (nog) niet anders toestaan. Maar ooit… misschien het grootste volksfeest van het land!

 

 

Apoftegmata 4. Nog eens literaire invloed.

 

Lucas Mariën. 13 februari 2019

Aanknopend bij de Bloomiaanse, post-moderne, Amerikaanse angst voor invloed in de kunst.
Dat hij ‘niet oorspronkelijk’ zou zijn geweest, dat was het belangrijkste bezwaar tegen Paul van Ostaijen toen die nog leefde – het belangrijkste uitgesproken bezwaar dan wel, want de eigenlijke bezwaren die ze tegen hem hadden werden niet uitgesproken: niet katholiek genoeg, niet integreerbaar in de feodale machtsarchitectuur, ordeverstoorder voor het Zwarte Paradigma. In de publicistiek over Van Ostaijen kunnen nog sporen van dat verwijt worden aangetroffen tot in recente tijden. Dat komt ten dele ook door de afwezigheid van ethisch-esthetische principes. Als bekend wordt dat Max Frisch zich heeft laten inspannen in het Congress for Cultural Freedom van de CIA dan staat heel Zwitserland op z’n kop en vragen de Helvetiërs zich af of Frisch nog wel kan meetellen als schrijver. Iemand als Hugo Claus intussen, die kon decennia lang de grootste bocht afscheiden en openlijk corrupt zijn – en in Huichelarije vindt iedereen dat normaal. Ik zal daar hier niet verder op ingaan, maar er zijn in dat land geen criteria, geen literaire principes waaraan schrijvers gemeten worden – behalve de rol die ze spelen in het ingebedde bedrijf van post-literatuur. Is ‘oorspronkelijkheid’ goed of slecht? Ze hebben geen idee en praten maar na, vooral als ze tot de ‘linkse’ – d.w.z. niet katholieke – vleugel van het establishment behoren, want dan zijn ze nog dommer dan de katholieken zelf.
Het is een beginsel van de ecologische klassiek dat alles wat we moeten weten, te vinden is in de literaire traditie. Als voorbeeld een fabel over… invloed. Van Gotthold Ephraim Lessing (Fabels 2.1. Dl. 1/150.)

 

 

Het bronzen beeld.

Het bronzen beeld van een voortreffelijke kunstenaar smolt door de hitte van een woedende brand tot een vormeloze klomp. Deze klomp viel een andere kunstenaar in handen en die maakte er met al zijn vaardigheid een nieuw beeld van, van het eerste verschillend in wat het voorstelde, maar eraan gelijk qua goede smaak en schoonheid.

De nijd zag dit en knarsetandde. En vond er als schrale troost het volgende op: ‘Die brave man zou dit heel passabele stuk ook niet hebben kunnen voortbrengen, als hij daarbij niet had kunnen teruggrijpen op de materie van het oude beeld.’

Lessings fabel is niet alleen een leerstuk over invloed, hij is tegelijk een voorbeeld van een sterk apoftegma.

3

Een vriendelijke lezer heeft opgemerkt dat er in onze webstek al eens teksten als apoftegmata zijn binnengesijpeld die dat in strikte zin niet zijn. Bijvoorbeeld iets uit een interview met Peter Handke, interessant weliswaar – maar dat volstaat niet om literatuur te wezen.

Een zin als wie laatst lacht, best lacht kan krachtig geformuleerd zijn en een behartenswaardig inzicht bevatten – literatuur is het daarom nog niet. Van Dales definitie van apoftegma als ‘zedespreuk’ schiet tekort.

Vrede is niet alles, maar zonder vrede is alles niets is dan weer wel een apoftegma. Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme of tussen een frase en een banaliteit? Een maxime als rust roest kun je voor waar en waardevol houden en wordt gekenmerkt door een extreme gebaldheid. Dat stafrijm bovendien, het feit dat in de twee woorden alleen de klinkers verschillen – strakker kan de vorm niet zijn. Maar is het een apoftegma?

Er bestaan veel belangrijke teksten die geen literatuur zijn: de Apologie van Willem van Oranje – ook de Biëncorf van Marnix van Sint-Aldegonde trouwens – het boek over en met de X-dossiers van Bulté, De Coninck en van Heeswyck, de Verhandeling op d’ onacht der moederlijke taal van Jan Baptist Verlooy, Salut en Merci van Walschap…

Maar als belangrijkste eigenschap van het apoftegma hadden we aangevoerd dat het, hoe kort het ook is, als literatuur herkenbaar moet zijn.

Over het begrip zelf bestaat er ook geen eensgezindheid in naslagwerken – Van Dale wordt kennelijk beïnvloed door de christelijke opvatting dat de vrome frase alleen al alles in de schaduw stelt en iedere kunst overbodig maakt. Maar wij blijven bij onze vroegere definitie van het apoftegmata als de kortste als literatuur herkenbare teksten: ‘Apoftegma is een verzamelnaam voor dergelijke mini-literaire uitingen: aforismen, fabels, epigrammen, bonmots, raadsels, kalenderverhalen, moppen…’ Dat was het uitgangspunt voor onze literaire atoomtheorie: uit de kleinste deeltjes leren wat de literaire materie zelf is. Er staat iets op stapel dat in de maand maart zal verschijnen en waarin we dit onderzoek voortzetten

Intussen blijven er dus die behartenswaardige, interessante teksten die geen literatuur zijn, en we willen een inflatie van het apoftegma-begrip niet in de hand werken. Daarom voeren we een rubriek Bedenkingen op deze website in om dit euvel in de toekomst te verhelpen. Iets wat ons onder ogen komt, te binnen schiet, dat ons het meedelen waard lijkt en geen literatuur is, komt vanaf nu daarin. Met dank aan de lezer die ons op de wantoestand opmerkzaam maakte.

Maar eerst willen we eens kijken of we van een anekdote in sommige gevallen misschien een apoftegma kunnen maken.

We nemen een belangwekkend, relevant, redelijk goed geschreven fragment uit een brief van Gust Gils aan Freddy de Vree van 1 juni 1963.

4

Gils was een dichter die ook veel korte, apoftegma-achtige prozastukken geschreven heeft. Hij behoorde tot het onderdrukte deel van de Nederlandse literatuur, en daarin tot de meest onderdrukten omdat hij meer kón. Wellicht ook omdat hij zich niet liet corrumperen – zoals uit het fragment zal blijken.

Een tijd lang was hij bevriend met Willem Frederik Hermans.

De heer en mevrouw Hermans (pak met das, hoge hakken, plooirok) komende uit Haren (Groningen) en per sportwagen te Brasschaat/Heide verschijnend, namen bijvoorbeeld deel aan tuinfeesten bij Gils, waar dassen en plooirokken veeleer zeldzaam waren en waar het meer een huishouden van Jan Steen leek. Ook hippies en chaoten waren hier thuis, naar verluidt – maar ik wil niet meedoen aan die manier van voorstellen van Hermans als stijve Hollander en Gils als ongewassen heikeuter. Het is eigen aan de katholieke maatschappij dat ze niet alleen geen literaire principes heeft, maar ook geen morele. Ze leeft van catechismus in plaats van ethiek – het is frase, nooit aforisme. Maar niet zeldzaam zijn de ‘andersdenkenden’ die in de grond de katholieksten van allemaal zijn, met even weinig of nog minder idee van vriendschap of ethiek in het algemeen als van literatuur. Als er sprake is van Gils en Hermans beginnen ze steevast over die maatpakken, en dat er bij Gils nog Brasschaats heidezand in de sla zat, die de Hermansen dan moesten opeten.

Voor Hermans speelden dergelijke bijkomstigheden geen rol. Aangenomen worden kan, dat Gils in dat opzicht op zijn niveau stond.

Hun vriendschap zal gesteund hebben op een idem velle atque idem nolle, een alleszins partiële overeenstemming in ideeën, bijvoorbeeld beider interesse voor het surrealisme. Daarenboven zal Hermans de integriteit van Gils hebben gewaardeerd. En dus ook enkele teksten. Gils is een van de zeer zeldzame tijdgenoten over wie Hermans ooit iets positiefs heeft geschreven.

Hij was een schrijver van een soms ziener-achtige inspiratie, had invallen die iemand de adem afsnijden als het onverwacht binnenkomen van een heel mooie vrouw in een kamer. Die momenten zijn nochtans zeldzaam en de dwang om boeken te produceren was kennelijk groot, zodat hij te veel boeken gemaakt heeft met te weinig inspiratie. Ook hield hij zich met nog te veel andere dingen bezig. Kortom, Hermans zal tamelijk snel hebben begrepen dat het bij die enkele flitsen zou blijven. De echte grote schrijver Gils, dat zou er niet van komen. Hermans’ interesse voor hem taande.

Tenslotte was Gils ook niet selectief genoeg in zijn omgang. Er heerste in Brasschaat een bestendig gevaar om zich te encannailleren, er Hugo Claus tegen het lijf te lopen en dat soort dingen.

En nog iets dat Hermans niet bevallen zal hebben: Gils schreef de op dat moment modieuze ‘anti-autoritaire’, ‘demokratiese’ spelling zonder hoofdletters e.d. – wij geven die hier vanzelfsprekend weer zoals ze in de brief staat. Maar ‘ostrasisme’ is dus ‘ostracisme’, in de hier toepasselijke tweede betekenis bij Van Dale ‘het streng weren van iets of iemand’.

De schrijver begint over zichzelf in de derde persoon:

‘Gils moest verleden dinsdag voor TV komen: rubriek ‘vergeet niet te lezen’. te interviewen door Huub Laampeau. tot daar toe: humor van situasie te appresiëren. ik heb geweigerd om andere redenen: de laatste jaren is men me bij 4 gelegenheden [= publikasies] totaal willekeurig voorbijgegaan, terwijl de grootste sukkels, obskuranten, pastoors en parochianen regelmatig bij elke tipografiese scheet op het scherm kwamen. ik heb zelf nooit moeite gedaan, maar vind niettemin dat men mij nu eerst een woordje uitleg over dat ostrasisme verschuldigd is. dat woordje kan er niet af: Van Herrewegen [geniale dichter in zijn vrije tijd –want zich tot staatsprijs hebbend opgewerkt] kan alles maar “betreuren”. soit. ja, ik heb ongelijk, ieder zegt het. maar zelfs voor 1000 fr. speelt geen kolleksie boerenlullen met mijn voortplantingsapparatuur.’

Het gaat over een situatie die iedere bewoner van die illustere contreien eigenlijk kent – Walschaps wat iedereen weet maar niemand schrijft. Wie Hubert van Herreweghen was begrijpt de lezer uit de context: chef van Vergeet niet te lezen, literaire simulant, katholieke nulliteit.

5

Maar in tegenstelling tot Lessings fabel ontbreekt er aan ons brieffragment iets om literatuur te zijn! Het fragment is niet als dusdanig bedoeld, okay, toch is de gereveleerde stand van zaken hoogst relevant – waarom dan geen literatuur?

Lessings fabel heeft niet alleen die afgeronde vorm, die status van fabel – dit wil zeggen van echte literaire tekst. De anekdote wordt bij hem tenslotte op een ander plan getild – wordt inzicht in een algemene regel. Lessing geeft er een draai aan waardoor de lezer een verhelderend moment beleeft – dat was volgens hem ook een noodzakelijke eigenschap van de kunst: ze moest inzicht bevorderen.

De verblinde nijd die niet in staat is het verschil tussen vorm en inhoud te zien – of die dat moedwillig weigert – die de materie uitroept tot de eigenlijke drager van betekenis en die de gever van de betekenis verlaagt tot profiteur van juist dat wat hij achter zich laat.

Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme? Die ‘zedenspreuk’ van Van Dale, dat is trouwens ook een fixatie op alleen maar de inhoud, de materie. Dat is Hegel, romantiek.

We zetten eerst een titel boven ons fragmen: ‘Ostracisme’. Onze eigen conclusie plakken we er aan het einde gewoon aan. Ze luidt:

‘De belangrijkheid van een schrijver kan in Huichelarije worden afgemeten aan het aantal sukkels dat ze moeten mobiliseren om hem te overstemmen; zijn adelbrieven bestaan uit het betreuren door de Huberten van Herreweghens en uit de honoraria die hij niet heeft willen incasseren.’

Hebben we het probleem hiermee opgelost? Aan de lezer om erover te oordelen.

Gils was niet te koop en alleen al daardoor opmerkelijk. Het stond bij voorbaat vast dat hij geen carrière zou maken. Hij kan als voorbeeld gelden, als ethisch fenomeen, maar dat maakt het voor de gelovers alleen maar erger. Het moet te allen prijze voorkomen worden dat er iets ontstaat als in Zwitserland, een ethisch harnas, een bewustzijn van goed en kwaad, ook in de kunst – kortom een geweten. De schaapjes hebben dat niet nodig, het volstaat dat die zich door hun herders laten leiden.

Om tenslotte nog even terug te komen op dat bezwaar tegen Van Ostaijen, dat ‘niet oorspronkelijk’ zijn. Dat was misschien ook verklaarbaar doordat het ondergaan van invloed impliceerde dat de schrijver in kwestie ‘slechte boeken’ las. Alles wat het lezen waard was, was immers verboden lectuur. Een schrijver die de leerschool van de literatuur doorlopen had, was per se des duivels.

6

Een raadsel om dit apoftegma af te ronden.

Wat is:

Frase, geen aforisme

Gewetenloos, van vrome praatjes vol.

Geen ethiek, maar catechismus.

Geen literatuur, alleen gezwets.