Literatuur Posts

Kerstverhaal 2020

Geen jaareinde zonder Eurykleia’s Kerstverhaal

Eurykleia. 24 december 2020.

Herzien: 27 januari 2021.

 

Het hoogtepunt van het kerstfeest is bij de betere families sinds enkele jaren het voorlezen van mijn nieuwe kerstverhaal – als de kinderen naar bed zijn. Maar nu de kerstviering overal maar op een laag pitje staat…

Stuur elkaar een mail met de link naar dit gewrocht.

Voordeel: als iedereen zijn kerstverhaal in stilte voor zich kan lezen, zal er minder glühwein worden gemorst en minder in tot vuisten gebalde handen verkruimelde koekjes zullen op het tapijt belanden.

*

 

‘Hemel, waar ben ik!’ Voltaire: Semiramis. V, 6.

Stientje had me vooraf geraadpleegd. Mijn relatie met Zoetesmeer ‘inspireerde’ haar. Kon zo’n platonische verhouding ook met terugwerkende kracht worden beleefd, wou ze weten. Stroopsmeerderij.

‘Je zou eerst en vooral moeten zien te verkrijgen dat Armand je niet meer tutoyeert,’ opperde ik.

Stientje Averechts wilde dat ik haar nieuwe roman ‘De Verkeerde Man’ bij Het Paradigma zou uitgeven – van de hoernalituur naar de echte literatuur, naar de avant-garde zelfs, dat is haar grote ambitie.

En ze werd zo mijn beste bondgenote bij het werven van Varg Vuylebeau voor de uitgeverij – om zelf een voetje binnen te krijgen, ik weet het, maar als het kan helpen! Ik wilde Vargs bundel ‘Tandbederf’ te allen prijze opnieuw uitgeven. Ik had Averechts’ manuscript al onder de titel ‘De Verkeerde Man’, ‘De Mesalliance van de Eeuw’, en ‘De Mesalliance van het Millennium’ op mijn bureau liggen gehad, maar het lukte Stientje niet er een opgewekt verhaal van te maken dat ook verkoopbaar zou wezen. Ik zal de hele historie hier niet navertellen, maar voor ik het wist had ik al toegezegd dat ik naar haar feestje zou komen. Varg zou er ook zijn, verzekerde Stientje me, de gelouterde en tot inkeer gekomen Varg Vuylebeau.

Ik ben er overal zelf bij geweest, ik heb zelfs in het middelpunt van de gebeurtenissen gestaan. Tenminste, bij het dramatische einde ervan.

Zuster Maria-Jozefa, E.H. Verontschøldig en ik waren nog bezig onze mantels op te hangen in de vestibule. Er klonk gedempte muziek die de bezoekers in een sfeer moest brengen als van een warme omhelzing. Stientje had daarvoor de ouverture tot Tannhäuser uitgekozen, de Préludes van Liszt en het Vorrei vendicarmi del perfido cor van Händel.

Pijnlijk – we konden daar in de vestibule niet anders – we moesten de laatste onderrichtingen en dreigementen van Stientje aan Armand mee aanhoren door de deur naar de salon, die half open stond. Kennelijk had ze Armand uitdrukkelijk verboden om iets te zeggen, wat dan ook.

‘Als je rechtstreeks aangesproken wordt, dan moet je beginnen hoesten of desnoods een hartaanval simuleren. Alleen als je rechtstreeks iets gevraagd wordt moet je zeggen ach, ik weet niet zo eh… In ieder geval: één ding bovenal: geen woord spreken.’

*

Dit jaar had Stientje twee kerstbomen, een in de hal en een in de woonkamer. Omdat ze de nieuwe jarretelles die ze van Armand cadeau gekregen had niet zomaar in dit gezelschap kon vertonen, had ze zichzelf ter compensatie zo opgesmukt, dat ze bijna ook voor een kerstboom kon doorgaan.

De eerste vraag van Zuster Maria-Josefa, de mondaine Tartufistaanse diplomate bij de Heilige Stoel.

‘Die kerstboomballen, Stientje, is dat nog met de mond geblazen glas?’

‘Daar heb ik genoeg veilingen voor moeten afketsen,’ antwoordde Stientje. ‘Jij bent tenminste iemand die dat ziet, Maria-Jozefa.’

*

De “hoogste instanties” hadden Zoetesmeer gevraagd zich om Vuylebeau te bekommeren. En de directie van diens krant natuurlijk, die zich zoveel moeite heeft gegeven om een andersdenkende in haar staf te krijgen.

‘Hoogmoed, superbia bij Thomas van Aquino, is de zonde die iemand ertoe brengt zichzelf te zien als meer dan hij echt is,’ doceerde Jos. ‘En die derhalve meent in een positie te verkeren van waaruit hij op anderen neer kan zien om op die manier zijn slechtheid ten opzichte van die anderen voor zichzelf te kunnen rechtvaardigen. Dat staat in de Summa Theologiae, IIa – IIae, 162.’

‘Ga je dat kunnen onthouden, Varg?’ vroeg Maria-Jozefa. ‘Je moet altijd maar goed naar professor Zoetesmeer luisteren en doen wat hij zegt. Voor je eigen bestwil.’

De tenen van Zr. Maria-Jozefa stonden in een hoek van negentig graden aan haar voeten. In die stand werden ze gehouden door schoenen met extreem hoge naaldhakken, die stiletto’s heetten. Ze waren het enige wat Maria-Jozefa altijd in Rome kocht. Als ze door de onderaardse gangen van de Eeuwige Stad van het ene gebouw naar het andere moest, kon ze zich zonodig met haar schoenen verdedigen tegen uit de duisternis opdoemende belagers.

Stientje klapte in de handen om aandacht te vragen.

‘Beste vrienden… Varg Vuylebeau hier heeft zich bereid verklaard om ons exclusief een paar bladzijden uit zijn autobiografie voor te lezen.’

‘Keurbladzijden,’ corrigeerde Varg bescheiden, ‘het zijn keurbladzijden, zo heette dat vroeger toch ook. Ik voel me met deze traditie verbonden. Het gaat over een droom van een gouden tijdperk, het is nog niet helemaal af.

Het was niet duidelijk of Stientje misschien expres of onbewust toch iets wilde laten zien van de nieuwe jarretels, haar kerstgeschenk. Ze was niet echt extreem kort gerokt – naar mijn maatstaven – maar haar nieuwe jarretels waren ongetwijfeld bijzonder lang. Telkens als ze ging zitten bood dat een zeker spektakel. Ik zorgde ervoor dat Jos niet vlak tegenover haar kon blijven zitten doordat ik een kleine zwakte veinsde en hem vroeg – Stientje bood lavendelwater aan, maar ik eiste eau de cologne, en dat Zoetesmeer die uit de auto ging halen. Lavendel is slaapverwekkend en ik besefte terdege dat Stientje me in slaap wilde sussen en verdoven. Ik wilde ook dichter bij de open haard met het knappende vuur zitten. Zo wilde het lot dat Varg Vuylebeau tegenover haar kwam te zitten. Het noodlot, mag ik in dit geval wel zeggen.

Waarom moeten mijn kerstverhalen altijd met horten en stoten verlopen? Misschien heb ik toch een grotere begaafdheid voor politieke tribunes en stakingsoproepen als voor de zuivere literatuur.

Het was al een tijdje geleden dat Varg Vuylebeau zich in gedichten voor god uitgaf. De voormalige miles gloriosus had door Zoetesmeers lessen geleerd dat hij zijn eer moest stellen in de nederigheid en dat het erop aan kwam dáárin de grootste te worden.

‘Hij werkt nu aan een autobiografie die negenenveertig boekdelen zal beslaan,’ informeerde Zoetesmeer het gezelschap, toen Varg zich een ogenblik verwijderd had.

‘Hoe schoon nochtans,’ zei E.H. Verontschøldig uit Damme, de vaderstad van Tijl Uilenspiegel, ‘waren die gezangen eertijds. Bijvoorbeeld van een – ik citeer – “glijbaan om op stil te zitten”. Onze dichter is het slachtoffer van de nijd van de middelmatigen.’

‘Maar daarom wil Eurykleia hem juist opnieuw uitgeven! Nietwaar Eurykleia?’

‘Vergeet dat probleem van die “ontsnappende dromen” niet,’ kon ik zelf niet nalaten op te merken, waarna ook Zuster Maria-Jozefa begon te citeren:

‘”Van de aandriften wordt het toilet, met daarin het proces ervan gemaakt”.’

Kortom, er heerste een ontspannen sfeer.

‘En vergeet niet, nu zit hij onder de vleugels van Jos. Als allerhoogste geruststelling kan dat tellen,’ vleide Stientje.

‘Eenvoud en bescheidenheid, heeft Zoetesmeer hem geleerd, nietwaar Jos? Toen is hij begonnen zijn autobiografie te schrijven. Een louteringsproces is dat. De titel luidt Slechts Journalist.’

‘Bescheidener is niet denkbaar.’

‘Er ligt een klare beslissing aan ten grondslag. Hij wil bescheiden en nederig zijn. Geen astrofysicus, geen quantenmechanicus, oncoloog, pediater meer. Maar dus Slechts Journalist.’

‘Armand heeft juist een levenscrisis als die van jou met succes overwonnen,’ richtte Stientje het woord tot Varg, die nu weer binnenkwam en weer tegenover haar ging zitten.

‘Het beste is dan dat niet onder stoelen of banken te willen steken. De mensen weten het sowieso.’

‘Mijn levenscrisis heb ik glansrijk overwonnen,’ zei Varg. ‘We moeten leren in de toekomst te zien.’

‘Bij Armand was het zo dat hij eerst jeugdherbergsvader wilde worden, toen hij nog klein was,’ vertelde Stientje spontaan. ‘Toen hij dan in zijn puberteit kwam, werd gynaecoloog zijn droomberoep. Nadat hij met mij getrouwd was werd het opnieuw jeugdherbergsvader.’

‘Misschien had hij ingezien dat een gynaecoloog wiskunde moet kennen,’ opperde Varg.

*

Ik bleef niet de hele tijd in de salon. Tussendoor moest ik ook wel eens naar het toilet. Wat lag er meer voor de hand dan een paar treden de trap op – kijkje nemen op de overloop. Hoe Stientje haar huishouden bestierde. Waar diende die gecapitonneerde deur van een van de slaapkamers voor?

In de salon werd nog steeds over de toekomst van de voormalige Miles Gloriosus geraisonneerd.

‘We moeten niet blijven stilstaan bij kleine fouten – Wie heeft die niet gemaakt?’

‘We moeten vooruitkijken,’ beaamde Jos.

‘Dørven vooruitkijken.’

‘We moeten blijven geloven.’

‘Dørven blijven.’

‘Blijven wat?’

‘Geloven.’

‘Is het nu geloven of durven?’

‘Dørven ook.’

‘Zolang je zoekend onderweg bent,’ kwam Maria-Jozefa tussenbeide, ‘zolang kan er eigenlijk niets fout gaan.’

‘Dat heeft professor Zoetesmeer mij ook geleerd,’ zei Vuylebeau zo bescheiden dat het bijna onhoorbaar was. Maar niet voor  Maria-Jozefa:

‘Je kunt altijd nog bijleren,’ zei die, ‘heb je de kerstverhalen van Eurykleia al gelezen, Varg?’

‘Ik lees geen kortverhalen,’ zei Varg, plotseling ondraaglijk hautain.

‘Waarom niet?’

Hij zette een gezicht van de hoogst denkbare bescheidenheid op en zei:

‘Omdat ze te kort zijn.’

*

Armand zat er bij maar durfde zich nauwelijks te bewegen en al helemaal niets te zeggen. Één keer had hij ‘ach, ik weet niet zo… eh’ gemompeld, toen Varg hem rechtstreeks had aangekeken – later zou Stientje zeggen dat het door diens loensen was – in feite had Varg een blik willen werpen op haar jarretelles, die door de korte feestdress telkens weer een ogenblik te zien kwamen.

In plaats van Armand in de ogen te kijken, keek Varg onder de rokken van Stientje en kreeg daarvan een “ontsnappende droom”.

Dit alles bracht de voormalige miles gloriosus, met andere woorden, danig van zijn stuk, zodat hij zelfs een groot deel van de lessen van Zoetesmeer ter plekke dreigde te vergeten. Hij werd door het ondergoed van Stientje teruggebracht op het slechte pad! Kortom, hij was zijn hele bescheidenheid inclusief Thomas van Aquino compleet vergeten en begon te lallen over ‘de uitgebreide kennis die ik bezit’ maar toch vooral over: ‘ze gunnen mij mijn prestaties niet.’

Zoetesmeer probeerde zijn leerling met een zo bescheiden mogelijk ‘sss’ en zo onopvallend mogelijk gesticuleren op het rechte pad te houden.

‘Jezus Maria! Hij wordt opnieuw ernstig ziek!’

Moraaltheologen zijn vanzelfsprekend gewoon dat niet naar ze geluisterd wordt, maar nu scheen Jos toch ernstig te wensen dat niet al zijn lessen tevergeefs waren geweest. Hij wrong zich de handen en mompelde iets van ziektes die chronisch zijn en die slechts schijnbaar genezen.

‘Ze gunnen mij niets,’ dramde Varg intussen door, ‘ik heb gedichten geschreven als astronoom en als ruimtevaarder. En doorwinterde astronomen en ruimtevaarders stonden vol bewondering over mijn kennis van zaken. Ik heb ook een tekst geschreven waarin ik alle Nobelprijswinnaars en mijzelf distantieerde van beunhazen en knoeiers. Ik heb over de Rechtvaardige Rechters geschreven. Toen kreeg ik nog op mijn kop van de chefs van de krant wier standpunt was dat hoe meer idioten zich met de Rechtvaardige Rechters bezighielden, hoe beter. En dat ik het debat niet op een hoger niveau had mogen brengen.’

*

Zo ging dat maar door. Om me met eau de cologne te besprenkelen en uit mijn zakfles iets substantiëlers te consumeren dan de slappe thee van Stientje, toog ik nog maar eens naar de vestibule.

Gevolgd door Armand.

Die gaf me bij de kerstboom bij de ingang van het huis een pakje dat hij achter zijn rug had gehouden. Eigenlijk was het geen pakje maar een papieren zakje met twee dragers.

‘Wat is dat, Armand?’ vraag ik zo, terwijl ik in het zakje keek.

‘Een bikinitrimmer,’ klonk het triomfantelijk.

‘Is dat nu een bikinitrimmer?’

Zeg ik zo.

Nog steeds niet van mijn verbazing bekomen. Maar op dat ogenblik – deze jeugdherbergsvader… (Nooit werd een aankondiging dat ik zelf bij de gebeurtenissen betrokken was sterker bevestigd als in dit geval.)

Bons, gerinkel, scherven… Alles ging zo ongelooflijk snel!

Van Zoetesmeer ben ik zoiets niet gewoon.

Ik moet toegeven dat ik een afgrijselijke gil slaakte: Armand was handtastelijk geworden!

En terwijl ik nog gilde haalde ik al uit voor een dreun die ik hem zou geven, maar ik sloeg in het ijle! Armand was namelijk zo geschrokken van mijn kreet dat hij, achteruitgeslingerd, in de kerstboom terechtkwam en, behangen met de door Stientje met zoveel zorg in de boom gedrapeerde lampjes en kerstbollen, probeerde weer overeind te krabbelen.

‘Eurykleia wordt in de vestibule lastig gevallen door Armand,’ riep Maria-Jozefa, die haar hoofd door de deuropening stak.

‘Het is niets, het is niets! Waarschijnlijk is Armand…’ Stientje – in de salon – wilde met grote haast overeind springen om zich naar de vestibule te begeven, maar ze bleef met haar jarretelles hangen aan een uitsteeksel van de zware neogotische fauteuil van gebeeldhouwd eikenhout waarin ze gezeten had.

Weliswaar speelde ik een hoofdrol als slachtoffer bij de gebeurtenissen in de vestibule en was ik er dus in de salon niet meer bij, maar ik heb alle getuigen zorgvuldig ondervraagd en kan garanderen dat de gebeurtenissen zich ook daar niet anders hebben voorgedaan dan ik ze hier beschrijf.

Eerst rekte de vast hangende jarretelle uit tot haar maximale lengte. Maar ze was dus nog nieuw en zo veerkrachtig dat Stientje teruggeslingerd werd en dus door haar jarretelle als het ware gekatapulteerd werd en in de kerstboom van de woonkamer belandde.

De grootst mogelijke verwarring.

Verontschøldig en Zoetesmeer waren de vestibule in gekomen. Een ogenblik staken ze de hoofden bij elkaar.

‘Volgens jou es dat døs een bekkini-tremmer, Jos?’ verwonderde Verontschøldig zich, maar bij de aanblik van de met dennennaalden en scherven van kerstbollen behangen Armand begon hij dan toch de gebeden voor de stervenden te zeggen en Zoetesmeer – je zou verwachten dat hij zich om mij bekommerde, maar nee! Ook hij knielde bij Armand neer, om die de biecht af te nemen.

Intussen kwam Stientje met verbeten gezicht, evenzeer behangen met kerstornamenten en gebroken met de mond geblazen kerstboomballen en ten gevolge van de onklaar geraakte jarretelles afzakkende kousen uit de keuken, de deegroller zwaaiend en zonder enige twijfel voornemens Armand de – nog verhevigde – dreun te geven die ik eerder geconcipieerd had, benevens menige andere. Maar zuster Maria-Jozefa sprong tussen de gebelgde echtgenote en de ter aarde liggende boosdoener in, waarbij ze in één beweging een stiletto van haar voet rukte om Stientje aldus met de zwaarste consequenties te bedreigen als die de deegroller de facto zou hanteren. Wat niet wegnam dat ze kalmerende woorden sprak:

‘Stientje treurt terecht om haar ambachtelijk geblazen kerstbollen, maar we moeten blijven geloven.’

‘Blijven dørven geløven,’ vervolledigde Verontschøldig.

 

 

Een moeilijke beslissing. Over literaire vorm.

Lucas Mariën. December 2020.

 

In het eerste deel van het werk over de Rechtvaardige Rechters moest ik beslissen of ik een foto zou opnemen in de tekst. In de inleiding tot dat werk heb ik uiteengezet dat het gebruik van digitale media consequenties heeft voor de literaire vorm. Ik ben van mening dat we een tijdlang met een mix van digitale en traditionele media zullen werken. In ieder geval – een paar decennia geleden nog was het een hele onderneming om foto’s op te nemen in een gedrukte tekst. Nu is het kinderspel, maar of je het daarom ook echt moet doen?

*

De situatie in het boek is de volgende: Frank Nienoppes (pseud. van Frank Noppes), recensent bij een obscuur weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen doet denken, is onderweg naar het feest ter gelegenheid van de uitverkiezing van Frans Zelfspeler tot Poëet van de Natie. Hij staat op het bergpad dat hij moet volgen op een brug over een ravijn. Hij vraagt zich af of hij de foto van Nancy, door hem poëtisch de ‘dochter van de prairie’ genoemd, niet in het ravijn zou gooien. Frank is namelijk een jaar in de Verenigde Staten geweest, in een uitwisselingsprogramma onder controle van de CIA. Zijn belevenissen heeft hij beschreven in een roman ‘Amerika’ die hij zonder succes heeft aangeboden aan een uitgever. Maar bij die gelegenheid zou er een kopie van het manuscript gemaakt zijn om er op feestjes uit voor te lezen. Nancy van de Prairie was cheerleader in de band van de school waaraan ook Frank verbonden was. Frank heeft haar dan geïntroduceerd bij het ‘Werk’, een fundamentalistische organisatie waarvan het lidmaatschap niet goed in overeenstemming kan worden gebracht met het cheerleader-uniform dat door Nancy aanvankelijk ook buiten de optredens van de groep, in het dagelijks leven, werd gedragen.

Nu zit hij met het dilemma dat hij deze foto, zijn laatste herinnering aan Nancy als cheerleader, niet graag opoffert. Anderzijds mag het document in geen geval bij hem worden gevonden door Coralie Coloratuur, een van de belangrijkste personen van de Verheven Villa aan het Hogere Meer, waar het feest zal plaatsvinden. Coralie is namelijk zijn nieuwe uitverkorene. Tenmiste, hij is ernstig van plan haar het hof te gaan maken. Vervolgens zal Coralie er niet langer over peinzen ‘haar volk te leren denken’, maar zal ze met een lied op de lippen de zorg voor hun kinderen op zich nemen. Het ‘Werk’ zou het hem hoog aanrekenen als hij dat denken kon verhinderen, en misschien zou hij dan toch nog professor kunnen worden aan een universiteit van de organisatie in Pamplona of Navarra – in plaats van zijn huidige functie van ‘professor’ aan de Katholieke Hogeschool van Mechelen. Slechts. Aldus Franks redenering.

*

Op deze plaats wordt ook de schrijver geconfronteerd met een dilemma: Franks foto van de Prairiebloem laten zien of niet! Dit wil zeggen: hem opnemen in de tekst? Daarmee zou worden tegemoetgekomen aan een natuurlijke nieuwsgierigheid bij de lezer, die zich vanzelfsprekend afvraagt wat er zo opmerkelijk is aan die foto. En aan de uitdaging door dat ravijn. Bovendien zou de schrijver ontslagen worden van de taak een visuele indruk met woorden op te moeten roepen als hij gewoon die foto reproduceert. En tenslotte, als de vermenging van media voortaan mogelijk en zelfs wenselijk is, waarom dan eigenlijk niet?

Omdat het in dit concrete geval een uiting zou zijn van verloedering van de literaire vorm en van verfoeilijk naturalisme.

De post-literatuur is de tot de uiterste vulgariteit afgezonken romantiek.

De romantiek die op ieder kunstwerk loert om het te besmetten als schimmel, om het aan te tasten met zwammen, door schurft. Die foto opnemen – juist dat zou romantiek zijn, anekdotisch, alleen maar decoratief. De ecologische klassiek heeft het decoratieve en naturalistische de oorlog verklaard ten voordele van het scheppende, de plotselinge openbaring. Niet nog meer vormeloosheid, dwaalwegen van de twintigste eeuw – maar scheppende restauratie van de door de grootste genieën ontwikkelde paradigmata van de literatuur.

Wat zouden Pindaros en Leopardi in zo’n geval hebben gedaan? En de rijpe Gerard Walschap, de adelaar van Londerzeel – ze zijn nog niet eens in staat geweest hem goed te lezen! (Walschap niet gerecipieerd.) 

De foto in de tekst onderbreekt de stroom, het ritme en de melodie van het proza. Het is al een oude kritiek op Lessing die het beeld, de metafoor aanprijst als middel om de lezer directe toegang te laten vinden tot het literaire medium, dat hij een vreemd element binnenhaalt in het medium literatuur. Door de beeldvorming niet over te laten aan het voorstellingsvermogen van de lezer maar het hem kant-en-klaar voor te zetten.

De interruptie door het beeld is een inbreuk in het tekstmedium. Het vreemde medium slaat een schaarde in de bewustzijnsstroom die de tekst juist in het brein van de lezer teweeg wil brengen. Maar misschien moeten we in een poly-mediale literaire structuur – daarover meer in de hierboven vermelde inleiding tot het Rechtvaardige Rechters-werk – minder denken vanuit de tekst die bestemd is voor het gedrukte boek. En ook denken vanuit het digitale medium.

Op deze plaats moet er in ieder geval een knoop worden doorgehakt.

Ik laat de tekst onaangetast en plaats de foto hieronder in het net – vol angst te veel te tonen en al dingen te verklappen uit een ‘roman‘ waartoe wij hopelijk de kracht zullen hebben hem nooit te schrijven. We beschouwen de traditionele roman sowieso als achterhaald, leeggemolken, een lege huls.

Alles wat u ooit over het geheime leven van Frank te weten zult komen staat al in het Bolwerk van de Geest, d.w.z. in het hoger genoemde eerste deel van het werk over de Rechtvaardige Rechters.

Nienoppes’ Prairiebloem als cheerleader.

 

[HOB] 11.Zz

Het fragment uit Het Ongeschreven Boek dat hier sinds december 2018 stond, is nu op weg naar zijn definitieve bestemming in De Rechtvaardige Rechters I.

 

 

 

Kerstverhaal II (2019)

 

24 december 2019. Van Eurykleia. Herzien in de Walpurgisnacht 2020.

 

 

‘Ondertussen toonde hij zich, een beetje altklug, zeer

in beslag genomen door zijn nieuwe liefde.’

M. Reynebeau, Dichter in Berlijn, P. 16.

 

1 Plenum.

 

»Ik kan geen bloed zien!«

Met deze uitroep – waarmee ze binnenkwam en zich meteen al enigszins van de vergadering scheen te willen distantiëren – deed zuster Maria-Jozefa iedereen in het zaaltje verstommen.

»Sorry, ben te laat, de kerststal… Deze hier ziet er ook niet slecht uit.«

Met een erkennend gebaar wilde ze de kerstversiering prijzen, die hier overwegend scheen te bestaan uit haast levensgrote gipsen ossen en ezels, maar dat lukte niet zo goed omdat ze de handen vol had: een Louis Vuitton-handtas, bijpassende tablet-hoes, draagtassen van glanzend papier van Dior, Esprit, Armani…

»Waarom gaat ze niet in Rome shoppen?« vroeg de jaloerse generale overste van de Zusters Maricolen zich halfluid af.

Piekfijn zag ze eruit, Maria-Jozefa, chique zelfs: ze was in diplomatieke dienst bij de Tartufistaanse ambassade bij de Heilige Stoel. Haar komst bewees de ernst van de situatie. Mantelpak, zwierige hoed, en alsof ze recht van de kapper kwam. Ze was in een wolk van parfum gehuld en de hoge hakken die de aanwezigen al van ver hadden horen aankomen waren wel niet echt naaldhakken, maar toch aanzienlijk. Er bevonden zich, grof geschat, zo’n twintig mensen in de zaal. Maria-Jozefa overzag de ronde, haalde de schouders op en ging naar de enige plaats die nog vrij was. Haar jasje hing ze op een eenzaam knaapje dat daar speciaal voor haar klaar scheen te hangen. Kasjmier met zijden truitje – dat niet echt spande, maar waarin zich onder het oppervlak toch de naden van haar beha aftekenden, de ‘contouren van de zonde’ fluisterde prof. Daas, die meteen ook schrok van zijn eigen fluisterstem. Sinds de traumatische ervaring met de Kniegate-affaire was hij zichzelf niet meer. Zijn neiging tot zelfgesprek was toegenomen, maar ook – verontrustend – het volume van deze fluisteringen, die steeds vaker overgingen in luid gesproken mededelingen.

De vrije plaats voor Maria-Jozefa bevond zich aan het hoofd van de tafel: een neogotische troon met pinakels, steunberen en luchtbogen; zo zwaar dat Jozefa hem niet kon verschuiven.

»Verontschøldig!«

Aan de overzijde van de tafel stond een grote man op. Romeinse kraag, zwart pak, kruisje op het revers. Hij moest zich tussen de eikenhouten lambrisering en de stoelen door wurmen. Achter iedere stoel zei hij: »Verontschøldig.« Maar ook deze sterke man kreeg geen beweging in het zitmeubel voor Maria-Jozefa.

De troon stond verder van de met groen biljartlaken bedekte tafel dan gewone stoelen, ook de zitting was hoger. Door te gaan zitten schortte de rok van Maria-Jozefa op. Het fluisteren bleef prof. Daas aan haar linkerkant daarbij in de hals steken; rechts werd de diplomate geflankeerd door pater Domien, een dominicaan die naam had gemaakt als auteur van hagiografieën. Zijn specialiteit waren heiligen die hadden uitgeblonken in boetedoening en zelfkastijding. Met één blik had deze specialist gezien dat de dijen van Maria-Jozefa geen sporen droegen van een cilicium of boetegordel – een soort vlechtwerk uit prikkeldraad dat om de dij werd gespannen. In de voormalige paardenstal van zijn klooster had Domien een klein museum van tuigen voor de strenge discipline ingericht. Maar bij Maria-Jozefa dus geen spoor van penitentie! Haar dijen zagen er zelfs uit alsof ze geen gebrek leden aan crèmes en tincturen – een sector waar de pater niet vertrouwd mee was. Nu sloeg de verwereldlijkte zuster zelfs de benen over elkaar! Dat versterkte nog zijn laatdunkendheid. En had ze niet zelf gezegd had dat ze geen bloed kon zien!

Met de ellebogen kon je aanvoelen dat er nervositeit in de lucht hing: ook Maria-Jozefa had een mail ontvangen dat een apostolische visitator het crisisteam zou komen versterken – en vanzelfsprekend… visiteren. Hogerhand was verontrust; Rome maakte zich zorgen. Er was wel niemand in het gezelschap die zou ontkennen dat er maatregelen genomen moesten worden – maar meteen een visitator…

»Nee, hij komt niet van Opus Dei, hij wordt gezonden door Het Werk,« zei Melissa Baghijn. Maria-Jozefa was niet verwonderd dat de agente van de CIA en Opus Dei er was. Dat bewees ten overvloede de onrust vanwege Gloriosus Reynebeau.

Een soutane met rode biezen zoemde een kerstlied waarbij hij met de rechter wijsvinger de maat sloeg. Naast hem zat Von Holzofen, een Duitse jezuïet die als specialist, als deskundige ‘in het onderhavige geval’ het crisisteam terzijde zou staan. Hij was zo glad geschoren dat zijn kin glansde alsof ze geplastificeerd was. De indruk van grote intellectuele spankracht werd nog versterkt door zijn randloze bril die de wereld genadeloos weerspiegelde, maar zijn ogen verborg.

Daar weer naast zat een gepensioneerde generaal van wie M-J de naam vergeten was. Dan kwam Frans Tsjeefblijver, een voormalige seminarist die een baan had gekregen bij de Boeren-organisatie. Daar had hij zich opgewerkt tot ‘Vader van het Halfbloedpaard’, de bezieler van de Vereniging van het Halfbloedpaard. Er was geen halfbloedknol in het land, merrie, ruin of hengst die niet in zijn gegevensbank zat, met stamboom, inentingen, hobby’s, en gewonnen prijzen. Tevens verleende hij hand-en-spandiensten aan de katholieke partij, wat niet belette dat hij in een artistiek-intellectueel milieu verkeerde. En hoewel hij niet minder dan zijn intellectuele vrienden tegen het Zwarte Paradigma was, bleef hij ‘tsjeef’. Dat wil zeggen dat hij ‘het spel meespeelde’ en huichelde.

»Ik kan toch niet de tak afzagen waarop ik zit,« zegde hij.

»Nee, ik bin nicht der Visitator. Bin Holzofen, aanchenahm.«

»Coördinator Isidoor, aangenaam. Ik geloof dat we er allemaal zijn.«

Coördinator Isidoor nam het woord:

»Hoe het groeide. Waarwe vandaan komen… Was het soms hybris?«

Hij keek de kring rond. Muisstil.

»Sommige kranten hebben medewerkers die ook buiten het blad naam hebben gemaakt. Heeft Émile Zola niet in de Figaro gepubliceerd en Thomas Mann in de Neue Zürcher Zeitung? Willem Frederik Hermans in de toenmalige NRC? En Ibsen en Tolstoi… Wij hebben nu dus Marc Reynebeau. Maar Rome stelt vragen! Pertinente vragen. Maria-Jozefa zal straks ongetwijfeld…«

De coördinator nam een pilletje uit een doosje en spoelde dat door met een slok water. Op de lange vergadertafel stonden op zekere afstanden gevulde karaffen.

»We kunnen beter nog even wachten,« zei de exorcist, »de visitator is er nog niet.«

»Ik ben er wel.«

Een man, zo onopvallend dat hij zelfs de schrijfster van dit kerstverhaal tot op dit moment niet opgevallen was. Hij schreef, veeleer tekende, het woord TRANSCENDENTAAL op het blad dat voor hem lag. Dan schreef hij: »Een gevleugeld woord is een woord met vleugels.«

Bewonderende uitroep van de exorcist naast hem.

»Maar dat is Vlaamse poëzie,« gaf die te kennen. En tegen de anderen: »Hij schrijft met een reynebeau, waar die poëzie automatisch uit voortvloeit. De gecomprimeerde reynebeau is een pen die door de kunstenares Eurykleia tot kunstwerk veredeld is. Nooit eerder zag ik zulk fraai en edel schrijfgerei!«

»Verontschøldig, mag ek die ook eens zien?« De uit de kluiten gewassen clericus begon aan een nieuwe tocht tussen lambrisering en stoelen en zegde getrouw achter iedere stoel: »Verontschøldig.«

Hij nam de pen uit de hand van de visitator en las half luidop de inscriptie:

Een paar miljard miserabelen

ook jij, lezer, en Ik zelfs.[1]

»Waar hebt ghi dezen schat gevonden?«

»Ik ben gelieerd met de kunstenares,« zei de visitator bescheiden.

»Dat wil zeggen dat hij een platonische vriendschap met haar heeft,« riep Tsjeefblijver. En nu herkenden ook de anderen de ondanks zijn populariteit zo nederig gebleven moraaltheoloog Jos Zoetesmeer.

Verontschøldig, die een kenner bleek te zijn, citeerde uit het geheugen:

De valleien.

Van somber zelfbeklag.

»Dat staat op andere reynebeaus, maar mijn favoriet es – verontschøldig:

van de aandriften het toilet

met daarin het proces ervan

Er es slechts keuze uit vier opschreften, heb ik gelezen.«

»Wáár heb je dat gelezen?«

Verontschøldig had zich verraden en kreeg een kleur, maar het was te laat. Met een veelbetekenende blik naar de visitator attendeerde Domien erop dat eerwaarde heer Verontschøldig het paradigma las. (Hij vergat op dit ogenblik dat Zoetesmeer zelf de ambitie had om aan deze webstek mee te mogen werken.)

»Jos! Jij hier!« riep prof. Daas nu, die verschillende tellen zoniet meerdere seconden sprakeloos was geweest.

»Ik ben de visitator, Hugo. Ik ben gezonden om – binnen een bepaald kader – te evalueren en te valoriseren.«

»En een draagvlak te vinden,« vulde Daas aan.

(Terwijl Zoetesmeer in het centrum van de belangstelling staat en even afgeleid is steekt Daas uit verstrooidheid diens reynebeau in zijn zak.)

»Ben je wel objectief, Jos? Je schrijft met een gecertificeerde reynebeau, de pen die als het ware een eeuwige reclame vormt… Maar jij als visitator, je zou neutraal moeten zijn. Kun je wel de nodige objectiviteit aan de dag leggen?«

Mededeling van de schrijfster.

Het was daarnet al een probleem dat ik mijn hartsvriend Zoetesmeer in mijn eigen kerstverhaal niet herkend had. Ik moet mijn verhaal hier even onderbreken. Het is zonder twijfel hoogst ongewoon dat een schrijfster in een eigen werk verschillende personages ontmoet die haar ook in het werkelijke leven zo na staan. Nochtans moet ik erop wijzen dat ik niets verzonnen heb en dat de hier verhaalde gebeurtenissen werkelijk hebben plaatsgevonden, daarvoor heb ik verschillende getuigen. Maar ik kan niet alle oninteressante personages voorstellen die bij het crisisteam aanwezig waren.

»Het klopt, Rome maakt zich zorgen. Onze kwaliteitskrant worstelt met… een probleem. Een teken van blijdschap was het zeker – voor deze onder het stigma van het katholicisme zozeer lijdende gazet – om iemand die niét uit de ware schaapstal komt, maar die toch niet over de voor ons, gelovigen, zo angstwekkende capaciteiten van sommige zogenaamd kritische intellectuelen beschikt…« Ondanks haar bedrevenheid in het diplomatieke taalgebruik, scheen Maria-Jozefa even te moeten nadenken, bepaalde klippen te willen omzeilen, maar ze hervatte zich, zij het niet zonder haperingen:

»Deze eigentijdse krant – om iemand als Gloriosus, te kunnen inzetten als geheim wapen en zelfs als reclame moet je zelf natuurlijk al heel speciaal zijn. Bereid zijn tot risico’s zo groot, dat die hun oorsprong alleen kunnen vinden in een afgronddiepe onzekerheid nopens de eigen status, gepaard aan een smartelijke sehnsucht om au sérieux te worden genomen door juist die mensen, intellectuelen, die bij het horen van de naam van deze specialist alleen al beginnen lachen en elkaar citaten uit zijn meesterwerken toeroepen.«

»Bijvoorbeeld,« giechelde de exorcist, »een glijbaan om op stil te zitten

De visitator zei schalks:

van de aandriften het toilet

Waarop Verontschøldig met geestdrift antwoordde:

met daarin het proces ervan.

Maar de coördinator verzuchtte: »Als het maar geen misgreep geweest is!«

Maria-Jozefa concentreerde zich weer op haar omgeving, in de eerste plaats op de visitator. Ze mijmerde: »Dat is nu de beroemde moraaltheoloog Jos Zoetesmeer? Ik heb zeer verheffende en aangename literatuur over hem gelezen, maar ik had hem mij helemaal anders voorgesteld.«

Zolang er zo gewetensvol over moraaltheologie werd nagedacht als door deze denker! Hij was een bemoedigende gestalte. En luidop – en minder diplomatiek dan ze gewoon was – gaf ze te kennen:

»Rome is bezorgd. Tot nu toe kon er van worden uitgegaan dat niemand Reynebeaus geschriften las, maar nu is gebleken dat de Vijand hem ontdekt heeft en… nouja, leest! Nu zal blijken dat jullie een zwetser van een niet alledaagse – hoe zal ik zeggen – envergure hebben aangeworven. Nieuwe stommiteiten zullen met iedere nieuwe bladzijde aan het licht komen, om maar te zwijgen van… andere mogelijke kenmerken als laagheid, karakterloosheid en steeds weer die penetrante ijdelheid.«

 

2 De gespreksgroep

 

»We zullen ons nu verdelen in gespreksgroepen,« zei Isidoor, »we moeten werken aan een draagvlak.«

»Zouden we Gloriosus niet kunnen missen?« suggereerde de exorcist. »We hebben intussen wel genoeg bewezen dat we niet meer openlijk katholiek zijn. Ik ben er zeker van dat hij een verwondbare plek is. Hij maakt ons te schande.«

»Ik kan geen bloed zien,« herhaalde Maria-Jozefa.

»Als we dat later zullen moeten valoriseren, dan komen we niet om de evaluatie heen. Laten we Reynebeau dus niet te hard vallen. Terwijl hij zich blootgeeft denkt hij juist bijzonder te schitteren. Hij meent een goede beurt te maken en algemene bewondering af te dwingen, maar zet zich te kijk.«

 

»Dit is dus de geïncrimineerde passage die zoveel stof doet opwaaien. Ik citeer: ‘Ondertussen toonde hij zich, een beetje altklug, zeer in beslag genomen door zijn nieuwe liefde.’«

»Op bladzijde zestien staat dat, van dat boek over Van Ostaijen in Berlijn,« riep Domien. »Je durft er niet aan te denken… als iemand ooit dat hele boek zou lezen!«

»Ik heb het speciaal nog eens opgezocht,« zei Von Holzofen. »Het gezaghebbende woordenboek Duden zegt over het adjectief ‘altklug’ – ik citeer op mijn beurt: ‘wordt gezegd van een kind dat zich in zijn uitingen niet kinderlijk, niet overeenkomstig zijn leeftijd gedraagt, maar eerder als volwassene’. Als synoniemen geeft Duden: frühreif, klug tuend, nicht kindgemäß vorlaut… Het vertaalwoordenboek van Van Dale zegt: wijsneuzig, neuswijs, vroegrijp, betweterig.«

»Vroegrijp – maar Van Ostaijen was toch in de twintig op dat moment!«

»PvO wordt dus volgens Gloriosus betweterig in beslag genomen door zijn liefde. Wat betekent dat eigenlijk? Betekent het überhaupt iets, kunnen we er ons iets bij voorstellen?«

»Wijsneuzig, neuswijs, vroegrijp, betweterig… Er is geen enkel van die adjectieven dat op die plaats zin heeft,« zei Maria-Jozefa, die uiteraard doorkneed was in de finesses van de diplomatieke taal waarin iedere nuance gewicht heeft.

Diep nadenken in de ronde. Radeloosheid.

»Wat kan hij bedoeld hebben als het niets betekent?« vroeg Tsjeefblijver, die een tijdje filosofie had gestudeerd, maar slechts aan de Katholieke Universiteit van NN. »Heeft hij misschien iets willen zeggen dat per ongeluk geheim moest blijven?«

»Wellicht is er sprake van dichterlijke vrijheid,« opperde Daas.

»Een perspectief zoeken en dan evalueren, inderdaad,« zei de exorcist met een blik die steun zocht bij de visitator. Maar Zoetesmeer riposteerde:

»Nee, een draagvlak moeten we vinden.«

Tsjeefblijver: »We moeten het in perspectief zien.«

»Hij heeft niets willen zeggen,« veronderstelde Maria-Jozefa, »we moeten dieper graven. Ik ga de schijn wekken dat ik Duits ken – beetje snoeverij, beetje Gloriosus. Hij heeft daar geen andere bedoelingen mee gehad.«

»Hij heeft helemaal geen schijn willen wekken maar hij heeft op het moment dat hij dat opschreef echt eerlijk de overtuiging gehad dat hij Duits kende. Naast alle bedrevenheden waarvan hij kond doet in zijn dichtbundel ‘Spelbederf’, namelijk in de atoomfysica, de astronomie, de archeopsychologie, de helderziendheid en de kwantenmechanica neemt hij hier aan dat hij ook polyglot is.«

»En goochelaar.«

»Goochelaar, Werenfried? Staat dat in die bundel?«

»Misschien geb ik het elders geleezn… Verontschøldig.«

Uit angst om andermaal als lezer van HP ontmaskerd te worden, voltooide Verontschøldig zijn zin niet.

»Misschien is het een plotselinge ingeving geweest: ik ken Duits. Een stem die hij gehoord heeft.«

»Iets als een genade. Die komt ook van — «

De roodgebiesde soutane priemde met een wijsvinger in de lucht.

»Ja, en daarop is hij vergeten dat zijn kennis van het Duits slechts op een vemoeden van hemzelf berustte.«

Een Zuster van Liefde en van de Christelijke Scholen voor wie we tot op dit moment geen aanleiding hadden ze te vermelden nam het woord: »Volgens mij is hij gewoon een kleine jongen die wil meedoen met een gesprek onder volwassenen en die komt aandraven met iets waarvan hij vermoedt dat het indruk zal maken. Het is een freudiaanse lapsus…«

»Een Fehlleistung!«

»… dat hij zijn held Van Ostaijen toeschrijft wat hij zelf is: vroegrijp, neuswijs, klug tuend, nicht kindgemäß vorlaut

»Hij was toen al wel vijftig.«

»Ek denk dat het een symbool is,« zei Verontschøldig die wilde voorkomen dat de discussie een verkeerde wending nam.

»Gloriosus is zijn hele leven al zo’n snotaap,« viel Maria-Jozefa in, »maar verder heeft hij het nooit gebracht.«

De verkeerde wending was er nu toch! Verontschøldig werd steeds nerveuzer – door al dit gepraat over kleine jongens van zijn stuk gebracht. Hij nam zijn etui met foltertuigen en verdween naar de voormalige gymnastiekzaal met verkleedhokjes. Hij koos een kabine, nam een cilicium uit de doos, – dat met de langste pinnen, – liet de broek zakken, legde de ketting om zijn linker dij en mompelde: »De bekoring is groot, de zonde loert, de pijn is kort, de genade lang, de zaligheid eeuwig.«

Tegelijk trok hij de ketting zo hard aan dat hij slechts op het nippertje geen kreet slaakte. Hij wist zich onder controle te houden en perste alleen maar een ‘verontschøldig’ uit zijn moegetergde borst te voorschijn. Vervolgens vroeg hij zich af of hij zich ook nog snel een paar geselslagen zou toedienen. In het etuitje bevond zich een opvouwbare, in-elkaar-schuif-bare karwats.

Hij moest de discussie opentrekken, alles vestigen op een breder fundament en het perspectief verruimen.

De filosofische werken van Marc Reynebeau!

Moraaltheologisch gesproken was dat een must, daar zou een specialist als Zoetesmeer het mee eens zijn.

»Waarin abstracte begrippen geen witte raven zijn maar veeleer muggenzwermen die ziektes verspreidend om je hoofd hangen en die Marc allemaal begrijpt!« Ook dat had hij op HP gelezen. Maar hij had zich al genoeg bloot gegeven. Hij zou eerder op zijn tong bijten dan dat in het openbaar nog eens te herhalen…

 

3 Katharsis

 

»Verontschøldig, waar waren we gebleevn?«

Scheve blik naar zuster Maria-Jozefa. Zijn linker broekspijp zat onder het bloed. Nu viel er zelfs een druppel op de vloer. Maria-Jozefa valt flauw. In haar val grijpt ze naar een houvast en trekt het biljartlaken van de tafel, waardoor ook Zoetesmeer tegen de kerstboom gekatapulteerd werd. Die viel om en velde Verontschøldig die dan nog tegen de gipsen ezel terecht kwam en professor Daas meesleurde in zijn val. Daas beschadigde daarbij de os en terwijl hij flauwviel kon hij alleen nog zeggen: »We mogen het speelveld niet scheef trekken.«

Ook de Vader van het Halfbloedpaard werd door rondvliegende kerstversiering getroffen en niet minder Domien en de monsignore met de rode bies. Melissa Baghijn en de duiveluitdrijver ontsnapten evenmin aan het algemene lot.

 

Tenslotte was het meer een mompeling dan een klare uitspraak, waarmee visitator Zoetesmeer Prof. Daas van antwoord diende en stamelde: »Sørry.«

Waaraan hij – nauwelijks waarneembaar – nog toevoegde:

»We hebben vanuit geen enkel perspectief een draagvlak gevonden. Sørry, sørry.«

___________________________________________________________________________

 

    1. Om tijdens onze langdurige staking toch nog iets voor ons geliefde HP te doen heb ik, Eurykleia, de door Lucas slordig samengestelde lijst van opmerkelijke versregels uit “Spelbederf” ge-updated en aangevuld. Marc Reynebeau: Van sigaar tot god.

LiteraLeaks 16.1. Paritair Comité

13 december 2019. Het Paradigma. Bijgewerkt in januari 2020.

 

De staking bij HP. Tijdens de bijeenkomsten van het paritair comité werden de hele turbulente zomer van 2019 ten dele uitermate choquerende conversaties gevoerd. Voorproef.

Uw whistleblower.

 

Coralie: We zetten onze staking onbeperkt voort. Aangezien de censuur op onze website in dit sociaal conflict al van bij het begin een rol speelde. Lucas zal dan wel verplicht zijn om over de vijanden van de literatuur te schrijven.

Eurykleia: Stakingsmoe ben ik ook wel, maar daarom toch geen stakingsbreker. Daarin geef ik je gelijk. Bij de eerste bijeenkomst van het paritair comité was Lucas geneigd om toe te geven. Ik mocht een kerstverhaal schrijven en tot op zekere hoogte zelfs politieke tribunes. Er was een virtueel akkoord en dan… Ach, Coralie, als ik mijn kerstverhaal maar op tijd af krijg!

Coralie: Maak je maar geen zorgen, oma. Eventueel verwijs je de lezers nog eens naar je vorige kerstverhaal.

Eurykleia: Maar dat gaat toch niet, Coralie. En er was bovendien een virtueel akkoord.

Coralie: Hoe komt Lucas er ook bij om de regering te vragen een bemiddelaar te sturen?

Eurykleia: Zonder die bemiddelaar zou onze staking al lang voorbij zijn geweest.

Coralie: Er moet een einde komen aan de censuur en autocensuur. Lucas heeft me een paar jaar geleden gevraagd een map in het Archief Rechtvaardige Rechters op te nemen onder het trefwoord ‘Geert Buelens’. Ik heb hier een artikel uit De Standaard. Een voormalige verloofde stuurt me daaruit artikels waarvan hij denkt dat ze me kunnen interesseren. Buelens dus, die heeft zich blijkens dat stuk geweldig ingespannen om Marc Reynebeau de status te geven van iemand die kon meepraten over kunst. Reynebeau maakte een vanzelfsprekend onleesbaar boek over Paul Van Ostaijen waarin hij demonstreert dat hij van toeten noch blazen weet. Waarin hij de niet-receptie van PvO nog eens in de verf zet. Buelens, de officiële PvO-specialist, doet alsof hij dolblij is met dat boek.

Eurykleia: Misschien wás hij dat ook.

Coralie: Dat beweert Lucas ook. Volgens mij is Buelens corrupt – maar volgens Lucas is hij in de eerste plaats geen groot licht en is zijn bewondering voor Gloriosus oprecht en diep doorvoeld. Zijn eigen dikke boek over Van Ostaijen heeft ook geen academisch niveau en is op zijn beurt een demonstratie van die niet-receptie. Maar nu dus zijn dossier in ons Archief RR stilaan volledig is, nu wil Lucas er niet aan beginnen. »Je kunt toch niet verwachten dat ik de Guitenstreken van Kwik en Flupke in de literatuur introduceer,« klinkt het nu. Maar waarom heb ik dan dat dossier moeten aanleggen, oma? De corruptie, de hoernalituur, het zo moeilijk te vatten netwerk van wederzijdse afhankelijkheid en dienstverlening… En als de geest verrot is… De vis begint te stinken aan de kop, zegt het spreekwoord. En dat de corruptie in de literaire wereld even groot is als in de justitie… Dáár, in die wereld, heeft de affaire Dutroux tenminste een en ander aan het licht gebracht. Maar dat Buelens en zijn soort de Dutroux en Nihoul van de literatuur zijn…

(Op dit ogenblik verschijnt Lucas op het terras waar Eurykleia en Coralie in de zon liggen. Nadat hij aan het verzoek van de dames om te worden ingecrèmed voldaan heeft laat hij verluiden:) O neen, Ludo Buelens, daar begin ik niet aan.

Coralie: Waarom noem je hem Ludo, Lucas?

Lucas: Heet hij niet zo?

Coralie: Hij heet Geert.

Lucas: Ach… Zijn gedichten zien eruit alsof hij Ludo heet. Ik heb er een gelezen in een boek van Ilja Leonard Pfeijffer[1]. Die bespreekt een ‘gedicht’ van Buelens en citeert het ook grotendeels. Daar heb ik dat ‘gedicht’ gelezen dus. Ik heb er me verder niet mee beziggehouden want toen ik dat ene gelezen had, dat Pfeijffer citeert, toen had ik vreselijke hoofdpijn en de hele nacht heb ik gedroomd van een roze tuinkabouter. Wie zoiets in alle ernst als gedicht publiceert, die geeft zichzelf een diploma van niet te weten wat poëzie is.

***

Eurykleia: We zouden een nieuw atelierfeest kunnen geven. Ik zou erover kunnen denken een kunstwerk te concipiëren en ook uit te voeren dat zou bestaan uit een langzaam draaiende lampenkap waarop een gedicht van Geert Buelens zou zijn afgedrukt. Wie het nodige geduld opbrengt, zou het hele gedicht zich als het ware voor zijn ogen zien afrollen. Als hij tenminste het licht eerst wil aanknippen. Hilarische effecten zouden minder frequent zijn als in de hiervan zo verzadigde Vlaamse dichtwerken van Gloriosus Reynebeau, maar toch – de als het ware met Vl. poëzie bekladde lampenkap zou kunnen symboliseren hoe dat geknoei het licht belemmert om volop en onvertroebeld te schijnen.

  1. Ongetwijfeld wordt het volgende boek van Pfeijffer bedoeld: Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica. Amsterdam 2003.