Welkom/Eigen aangelegenheden Posts

(Wilde) staking bij Het Paradigma

24 maart 2019. Coralie Coloratuur en oma Eurykleia.

 

 

STAKING!!!

Eigen aangelegenheden; Eurykleia

Napels. Museum voor Oudheidkunde.

 

Eurykleia. 10 februari 2019.

Nu ik het trauma van Kniegate zo goed en zo kwaad als het ging achter me gelaten heb, vinden de collega’s van Het Paradigma dat ik maar weer eens de zware taak op me nemen moet om me namens iedereen hier bij onze lezers te verontschuldigen. Er is voortdurend een en ander niet pluis met onze website, er zijn weer/nog steeds technische problemen. Intussen is het zelfs zo erg dat wij geen van allen nog e-mails ontvangen – behalve misschien Coralie in Zwitserland, maar dat weten we dus niet, aangezien we ook háár mails hier niet kunnen openen en haar mobiel heeft ze uitgeschakeld. In ieder geval: wij verontschuldigen ons en doen wat we kunnen om het euvel de volgende dagen te verhelpen.

Blijft u ons welgezind, ondanks alles. Dank & groet.

Eurykleia.

Eigen aangelegenheden. Literatuur mag nog meer.

 

Ariadne (1814) Joh. Heinr. Dannecker, Liebieg-Haus, Frankfurt aM.

 

Lucas Mariën, 17 januari 2019.

Herzien: 3 februari 2019.

 

We hoeven onze lezers niet te vertellen dat het Paradigma vorige week onbereikbaar was – de moeilijkheden schijnen zich nu zelfs te herhalen. Dat spijt ons en we zouden ons verontschuldigen als niet ook wij die onbereikbaarheid gewoon hadden moeten ondergaan. Onze server in Berlijn speelde niet meer mee. Kennelijk was het een panne van grote omvang, waarbij duizenden sites betrokken waren. Deze gebeurtenissen hebben ons in ieder geval nog eens herinnerd aan de kwetsbaarheid van het internet. Van het ene moment op het andere waren we niet alleen blind en doof, maar ook stom en onzichtbaar.

Vanzelfsprekend zijn er in het begin ook vragen gerezen: was er sprake van sabotage door angstige vijanden? Speelde onze laatdunkendheid tegenover Nato, CIA of Opus Dei een rol? Waren de graven Lippens te Knokke en elders in paniek geschoten – we hadden toch alleen nog maar iets over graf Lippens I geschreven! Maar intussen was bekend geworden dat graf Lippens II buiten vervolging gesteld is, als grote baas van de Fortis-bank indertijd… Was het de angst voor Dikè, de godin van de orde en het recht?

Zolang deze website bestaat hebben we op de kwetsbaarheid van het medium geattendeerd en er voor gepleit dat de belangrijkste lezers zich bij ons zouden registreren (miss.ecologische.klassiek@kurtz.owncube.com). Aan hun duivenhok zul je ze herkennen, schreven we over de literatuurliefhebbers, die eerlang weer afhankelijk zullen zijn van de duivenpost om de literatuur te kunnen volgen.

De USA als folterstaat bijvoorbeeld, die te pas en te onpas veel minder schuldige landen de les leest… Maar in het internet is ook het ándere nieuws te vinden en niet alleen de sterkste vindt nog gehoor. De discrepantie tussen de schijn van officiële verhalen en de werkelijkheid springt in het oog. Het enige wat ze daar tot dusver op gevonden hebben is: negeren! Doen alsof dat wat duizenden, soms miljoenen mensen weten, gewoon niet bestaat. Blijven vasthouden aan doorzichtige leugenverhalen en de waarheid doodzwijgen. Maar de mensen zijn niet zó dom, en die houding is dan rampzalig voor je geloofwaardigheid. Er ontstaat een spanning tussen het verkondigde beeld van de werkelijkheid en de realiteit die op den duur ondraaglijk zal worden. Vandaar onze overtuiging dat het duivenmelkerschap de toekomst van de literatuurliefhebber is.

We willen de panne van vorige week (en van nu) aangrijpen om een paar dingen nog eens op een rijtje te zetten.

Het Paradigma is volledig onafhankelijk en heeft geen enkele band met partijen of belangengroepen. De enige leidraad is ons eigen inzicht en de eeuwige onveranderlijke wetten van de literatuur. De normen die ik erken vormen de inhoud zélf van het paradigma-begrip; het zijn geen uitvindingen of verzinsels van mij – het zijn dingen die ik blootleg. Foucault heeft het concept van archeologie van begrippen in de mode gebracht, maar het idee is ouder, heeft hij van Nietzsche.

Jean Baudrillard diagnosticeerde op een bijzonder prangende manier het valse, de leegheid en de holklinkendheid van de hele Westerse civilisatie, de civilisatie als spektakel, het betekenisloze en van belang gespeende van de meeste als artistiek bedoelde artefacten zelfs – en a fortiori van de hele post-literatuur. Maar als dát de heersende toestand is, hoe kun je dan iets tot stand brengen dat daar niet aan meedoet, daar niet toe behoort, iets dat niét ondergaat in de leegte, dat niet platvloers is a priori? Dat is de belangrijkste vraag voor iedere nieuwe kunst en literatuur: kan het echt niet anders dan dat je mee rondploetert in de modder van het gecommercialiseerde kunst- en literatuurbedrijf? De enig denkbare remedie is, je er met de middelen van de literatuur overheen te zetten en gewoon iets te schrijven dat zoveel mogelijk kwaliteiten gemeen heeft met de voorbeelden van de grote meesters – te meer omdat hedendaagse voortbrengselen over het algemeen futiel zijn. En analoog of digitaal of duivenpost, dat heeft dan verder nog maar weinig te betekenen. De traditie stelt een arsenaal van werktuigen ter beschikking waarmee de door Baudrillard geconstateerde toestand tekeer kan worden gegaan, de Europese kunst, van de Grieken tot Hermans. We staan weer op het punt waar Johann Joachim Winckelmann (”de grote Winckelmann”; W.F. Hermans) in 1755 stond:

‘Der einzige Weg für uns, groß, ja, wenn es möglich ist unnachahmlich zu werden, ist die Nachahmung der Alten.‘[1]  –  De enige manier voor ons om groot, ja zo mogelijk onnavolgbaar te worden, is de navolging van de ouden.

 

2

Ik ben er me van bewust dat dat verleden de jongste tijd in een kwaad daglicht wordt gesteld door sommige zg. literatuurwetenschappers en dat het zelfs als agressie beschreven wordt. De bekendste verguizer was Harold Bloom, die een boekje tegen de traditie schreef, ‘Anxiety of Influence’[2]. Bloom weet niet wat literatuur is, haspelt literaire en niet-literaire teksten door elkaar, gebruikt derderangse voorbeelden om zijn theorieën op te bouwen en is een bedrieger. Hij is zo ingenomen met zijn eigen ‘anxiety of influence’ dat hij zich openlijk verwonderd toont over Goethes ‘bevreemdend optimistische weigering om het literaire verleden te zien als in de eerste plaats een hindernis voor nieuwe creatie’ (Anxiety, p. 50). Niet verkeerd in deze bewering is dat Goethe het verleden niet als obstakel beschouwde. Hij prees het juist en was er dankbaar voor. Bloom vergeet dat dan trouwens meteen weer, om een paar bladzijden verderop leugenachtig te beweren dat Goethe zelf ‘verteerd schijnt te zijn van de “anxiety of influence”’ (p. 60).

Bloom was een tekstvervalser en een lasteraar. In een aparte bijdrage maak ik een kort aanhangsel bij deze tekst over de échte mening van Goethe over invloed en die van nog een paar anderen die in tegenstelling tot Bloom gewicht hebben. Overal bij Bloom schemert de rancune tegen het Europese patrimonium door. Hij past in de sfeer van neo-cons en postmodernen. Trefwoorden: Congress of Cultural Freedom, CIA, Rockefeller-stichting…  Einde van de kritiek, esthetisch populisme.

Plus de aloude rancune tegen Europa. Zij ervaren traditie als agressie die in werkelijkheid nijd is. Amerikanen hebben zelf geen traditie behalve moord en folteringen, het ontketenen van oorlogen en staatsgrepen, het leegplunderen van landen – de belangrijkste reden waarom ze Poetin zo haten, dat die daar althans in Rusland een einde aan heeft gemaakt – afgezien nog van het feit dat Rusland een Europees land is dat in tegenstelling tot de VS een belangrijke literatuur heeft, een niet te verwaarlozen muzikaal patrimonium en bovendien nog schilders als Kandinsky heeft voortgebracht – om alleen deze baanbreker te noemen. Tenslotte nog vermeldenswaard als Amerikaanse prestatie: het overeind houden van satellieten die hun qua misdadigheid nog naar de kroon steken.

Charles Baudelaire bedoelde het ongetwijfeld als de allerergste belediging waartoe zijn dichterlijk genie hem in staat stelde, toen hij de Verenigde Staten noemde: het België van het Westen. Grotere schande was in zijn ogen kennelijk niet denkbaar.

3

De opgave voor Europese schrijvers is intussen, de literatuur los te peuteren uit het kluwen van gezwets en bedrog en terug te gaan naar de traditie, naar een traditie van ándere moderniteit. Al in de negentiende eeuw wordt Goethes stijl door scherpziende geesten als Nietzsche begrepen als het vooruit-schijnen van zo’n ándere moderniteit. Lang vóór ik Goethe beter begon te kennen was ik me al bewust geworden van de eenzame classiciteit van Hermans – én van de Adelaar van Londerzeel, Gerard Walschap, die zijn meesterschap wist te verwerven en door te zetten in een uitermate achterlijke, bijgelovige en vijandige omgeving. Zijn muze moest zich, meer nog dan die van schrijvers in normale landen, handhaven op de rug van een gevaarlijke tijger, maar hij heeft geen grote fouten gemaakt, deze geweldige en in de geschiedenis van Huichelarije sinds de val van Antwerpen eenmalige held.

Niet dat ik geloof dat een schrijver per se een voorbeeld van iets moet wezen, behalve dan van stijl.

4

Er gaat geen dag voorbij of er wordt om censuur van het internet geroepen. Pornografen, stalkers, haatpredikers, Russen, trollen, verspreiders van complottheorieën bedreigen immers de door het Westen zo fijn gemaakte wereld. De complottheorieën vooral, die helpen als argument tegen alles. Ze zijn tegelijk de aspirine en de klisteerspuit van de wonderdokters van de gediskrediteerde mainstream. Het eigenlijke probleem van deze grote geesten is dat, dank zij het internet, letterlijk iedereen nu deel kan nemen aan het debat, en niet langer alleen uitgeselecteerde, door tal van carrièrefilters gesijpelde hoernalisten – om niet te vergeten de ingebedde schrijvers van de post-literatuur. Te midden van de oceanen van eigenlijke cafépraat valt de als intellectueel gecamoefleerde oneigenlijke niet meer op.

Maar door dat dagelijkse gejammer en het constante formuleren van voorwendsels voor censuur wordt het begrip zelf van de vrije meningsuiting aangetast. Daarom nog eens in alle duidelijkheid: vrije meningsuiting is vrij. Literatuur mag alles. Al die verboden, censuurregels, die intussen bijna overal in Europa bestaan, gelden NIET voor de literatuur en moeten weg – als het echt een democratie is, die gewenst wordt. Er is geen enkele beperking naar de inhoud. Alleen de literaire grammatica is van tel. De schrijver is autonoom.

Bijvoorbeeld heb ik iets gelezen over Frankrijk. Het uitmoorden van de Armeniërs in het begin van de twintigste eeuw, dat moet je daar volkerenmoord noemen. Afgezien van logische en kentheoretische vragen bij zulke veralgemenende termen staat altijd de vraag op de voorgrond: als ik dat doe, klopt het ritme van mijn tekst dan nog, de melodie van mijn zin, de te verwachten rimpels in het voorhoofd van lezers of de glimlach op de lippen van… kan ik die met zulke zin te voorschijn toveren. Dat is het, waar het om gaat, er bestaan geen andere literaire problemen.

Geen enkele schrijver heeft tijd genoeg om zich bezig te houden met wat politici denken dat verboden zou moeten zijn.

Af en toe moet ik met Tartufistaanse toestanden vertrouwde mensen vragen: weet je of dit of dat verboden is in het koninkrijk waarvan we de naam niet zullen noemen?

Als het verboden is, maak ik meteen een aantekening dat ik het beslist ergens moet zeggen.

Het niet-zeggen zou erkenning impliceren van zeggenschap van het banale en vulgaire over wat er in de literatuur geschiedt. Het zou misdadig zijn tegenover de kunst.

Ook dat is literatuur: zeggen wat niet mag.

Dat wil niet zeggen dat de schrijver zich zo moet gedragen dat hij meteen de gevangenis in gaat – al kan ook dat nodig zijn.

Hij moet wat verboden is zeggen, maar niet zonder daarbij strategisch te denken.

De traditie doet ons alle nodige middelen aan de hand, ze zijn legio. Desnoods zelfs… Duivenpost is niet de eerste keuze – maar een mogelijkheid is het.

Blijft u op de hoogte, registreer u, word voor ons bereikbaar.

Het adagium van Walschap dat ik ook elders al gebruikt heb: Schrijven wat iedereen weet, maar niemand schrijft. Goethe noemde onder meer dát het openbare geheim, het Öffentliche Geheimnis, waarmee hij werkte en waarvan hij zich nogal wat voorstelde.

5

Vooral in Huichelarije is het ook nodig te demonstreren wat literatuur eigenlijk is. Dat het NIET is: dat zielig conglomeraat van hoernalisten, professoren en pastoors en hunlieden zompig gezwets en kliederig gesop – van Verschaeve tot Hugo Claus. Er is geen traditie, alleen een paar uitschieters, op één hand te tellen in een stroom van niets, een hele geschiedenis van onderdrukking en verbod, van de uitroeiïng van de rederijkers tot de vervolging van Walschap.

Tartufistan is Amerika in het hartje van Europa.

Blijft u ons welgezind.

 

_________________________________

 

  1. Johann Joachim Winckelmann: Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst [1755]. Stuttgart [Reclam] 1995. p. 4.
  2. Harold Bloom: The Anxiety of Influence. New York [Oxford University Press] 1973.

Coralie weer daar!

Zal Coralie erin slagen weer orde op zaken te stellen?

Welkom. Programmatisch.

[Januari 2016; april 2016; september 2019. Coralie Coloratuur. ]

 

 

Het Ongeschreven Boek

Het was onmogelijk om mijn chef, Lucas Mariën, ertoe te bewegen zekere resultaten van zijn onderzoek naar de Rechtvaardige Rechters te publiceren. Tenslotte wist ik het voor elkaar te krijgen dat althans ik ze dan gedeeltelijk publiek mocht maken.

‘Literatuur heeft met de werkelijkheid niets te maken,’ zegt hij, ‘en als ik dingen publiceer die waar zijn, of echt gebeurd, dan schaadt dat mijn literaire status.’

‘Maar je hebt mij wel als model gebruikt voor de Coralie van je boek.’

‘Je vond dat goed, en je bent er nog trots op ook.’

‘Je hebt geschreven dat ik twee keer heb meegedaan aan een missverkiezing en dat ik de titel van Miss Bio-Melkproducten in de wacht hebt gesleept, terwijl het die van Miss T-shirt was.’

‘Zie je wel, dat personage heeft niets met jou te maken.’

Maar Henry Koehn heeft echt bestaan, de Duitse officier die tijdens de bezetting op zoek ging naar het in 1934 gestolen paneel van het Lam Gods, het paneel van de Rechtvaardige Rechters. En ik besta dus ook–maar niets van het verhaal is helemáál waar, behalve wat ik zelf schrijf.

Over fictie en realiteit, over het verbod voor literatuur om iets te betekenen – we zullen het er zeker nog over hebben. Intussen is het een feit dat Lucas dat onderzoek heeft gedaan en dingen heeft verzameld omdat hij een roman wou schrijven. Dat is het materiaal dat vanaf een bepaald ogenblik het Archief Rechtvaardige Rechters  is beginnen uitmaken, en dat dus diende om ervoor te zorgen dat hij de werkelijkheid genoeg ontweek. ‘Een verstandige leugenaar blijft zo dicht mogelijk bij de waarheid,’ zegt hij, ‘en bijgevolg moet je die kennen om er met bekwaamheid van af te kunnen wijken.’

Ik zal op deze stek trouwens ook uit zijn boek citeren –dat als werktitel ‘Het Ongeschreven Boek’ (HOB) kreeg – dat is niet de definitieve titel. En waarom dan niet meteen… Dit is een fragment uit het zevende hoofdstuk:

 

“Henry Koehn heeft ook geprobeerd een boek over de Rechtvaardige Rechters te schrijven. Hij kreeg een tumor en stierf. Daarna probeerde Paul Weymar het, de bekende biograaf van de eerste bondskanselier Konrad Adenauer. Weymar was de buurman van Koehn op Sylt, het prominenten-eiland voor de Oostfriese kust. Hij vroeg weduwe Eva Koehn om inzage in het materiaal van haar man met het oog op een boek. Dan stierf hij plotseling. Er rust een vloek op die stof. Overigens zijn ook in Duitsland de archieven gelicht.”

        Ze sprak nu zacht en afwezig.

(HOB; 7.1.)

 

Toch waar – de in dit fragment gebruikte informatie wordt gestaafd door o.a. een brief (van 4 juli 1967) van Eva Koehn aan professor Rosemann, die Koehns directe chef was bij de Brusselse ‘Kunstschutz’. En wie zo zacht en lieflijk sprak – iedereen denkt nu natuurlijk dat ik dat was – maar terzake! Fictie en non-fiction, en hoe ze elkaar spiegelen, versterken, tegenspreken, ondergraven…

 

Het epos in verzen

Lucas’ toestemming heb ik ook gekregen omdat ik zijn zwakke plek trof: digitale literatuur.

De uitvinding van de boekdrukkunst luidde het einde in van het epos in verzen dat eigenlijk diende om te worden voorgedragen, en dit ten voordele van de lees-roman. De uitvinding van de fotografie beïnvloedde de schilderkunst: het afbeelden van de wereld op een plat vlak kon die voortaan overlaten aan dat nieuwe medium.

Zo zal ook de digitale revolutie gevolgen hebben voor de literaire vorm. Lucas spreekt dan graag van de Digitale Mix, literatuur in samenwerking met digitale techniek, de invloed van die techniek op de literaire vorm. En hij stuurde me zelf naar een colloquium aan de Humboldt-universiteit in Berlijn, iets heel officieels, georganiseerd met de steun van het ministerie van cultuur, met professoren die er speciaal uit Amerika voor waren overgevlogen – de lezer beseft meteen dat de antwoorden niet uit die richting zullen komen.

 

literaturdigital_3_0

LiteraturDigital 3.0

Intussen zijn schrijvers natuurlijk volop bezig met de literatuur na de post-literatuur. Zo publiceert nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek (‘De Pianiste’) al meer dan tien jaar alléén nog in het internet https://www.spiegel.de/kultur/literatur/elfriede-jelinek-nennt-literaturbetrieb-korrupt-a-955999.html Dat komt omdat ze het boekwezen ‘extreem corrupt’ vindt. Bovendien: ‘Als ik in het internet publiceer, dan blijft de tekst van mij. En toch kan al wie dat wil er naartoe. Een fascinerende mengeling van privé en openbaar.’ Ook in andere opzichten blijkt Jelinek niet te zijn aangetast door ingekankerde preferenties: ‘Boeken die alleen maar in het internet verschijnen worden haast nooit besproken. Dat is goed voor mij, dat heb ik het liefst,’ zegt ze (interview met haar op http://fiktion.cc/elfriede-jelinek-2/ februari 2014). De noodzaak om literatuur opnieuw te denken opent vanzelfsprekend nieuwe perspectieven. Voor een zozeer onderdrukte literatuur als de Nederlandse in een in wezen nog feodale maatschappij als ‘België’ is het de enige mogelijkheid om te ontstaan, te bestaan. Tijdens deze kennismaking hoef ik daar niet verder op in te gaan.

Maar deze bladzijden vormen dus ook een experiment met het gebruik van het internet voor de literatuur. Daartoe hebben we ook de uitgeverij Paradigma opgericht, die te gelegener tijd elektronische én andere boeken op de markt wil brengen. Jelinek oppert ook de mogelijkheid van bijvoorbeeld een online-lectoraat – wij verliezen dat niet uit het oog, maar het is ook een kwestie van mankracht en middelen en voorlopig…

 

 

Een oneigenlijke diefstal

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters op 10 april 1934 was een oneigenlijke diefstal. Het ging de dief (of de dieven) niet om het materiële bezit van het paneel – dan zou het een gewone, een eigenlijke diefstal zijn geweest –  maar om iets anders, iets symbolisch, immaterieels. De eerste reactie van kannunnik Van den Gheyn toen hij van de gebeurtenis op de hoogte werd gebracht, zou zijn geweest: ‘Dat is chantage.’ Van den Gheyn was een soort kerkelijke chef-conservator van het Lam Gods, en hij noemde de diefstal ook een ‘wraakneming’ (MoK II, 425; Mortier 2005, 31 e.v.). Ook van Arsène Goedertier, die als dief van het paneel aan de kaak werd gesteld, wordt een uitspraak overgeleverd die rechtstreeks de eigenlijkheid van de diefstal betwist: er was geen diefstal, zegde hij, het paneel was alleen maar verplaatst. (MoK II, 479; MoK I, 194 noot) Maar waarom dan, en op wie werd er chantage, wraakneming uitgeoefend?

De keuze van het paneel zelf met de Rechtvaardige Rechters, de belichaming van de politieke en geschiedenisfilosofische opvattingen van de middeleeuwen, kan moeilijk voor een toeval worden gehouden. Hitler was toen net een jaar aan de macht, het gonst in heel Europa van sympathieën voor een of ander fascisme – in Vlaanderen lonken toonaangevende figuren naar iets in de aard van het Oostenrijkse klerikaal-fascisme van Dollfuss.

Ik laat dat even zo staan om een begrip ten berde te brengen: historische semantiek. ‘Filosofie is arbeid aan het begrip,’ zegt Lucas, ‘en literatuur is arbeid aan de mythe.’ Maar in zijn ijver om zo verstandig mogelijk te liegen heeft hij toch dingen aan het licht gebracht die kunnen helpen bij de vereigenlijking van de diefstal.

Historische semantiek, de leer van betekenissen van begrippen uit een historisch oogpunt – ik geef een voorbeeld:

In een van de brieven die ‘D.U.A.’ naar de bisschop van Gent stuurt om over de teruggave van de Rechtvaardige Rechters te onderhandelen, spreekt hij over zichzelf als “le chef”. “Le Chef” was in 1934 de leider van de ‘Rex’-beweging, Léon Degrelle, als dusdanig in heel ‘België’ bekend. Het woord heeft trouwens dezelfde betekenis als ‘Führer’ en ‘duce’. Het lijdt geen twijfel dat de schrijver van de brief door het gebruik ervan iets suggereert of een bepaalde sfeer wil oproepen met een bepaalde bedoeling die niet meteen blijkt. Door die woordkeuze verlaat hij het pad van de nuchtere, zakelijke mededeling en creëert – ironisch of niet – een zekere rol, een enscenering, een dramatisering – ik zou haast zeggen: een verliteraturing – als ik dan niet verschrikkelijk op mijn kop zou krijgen. (Van mijn… le chef. Omdat het een kenmerk is van de post-literatuur, om alles maar ‘literatuur‘ te noemen.)

Om historisch-semantische inzichten te verwerven moeten we begrippen bekijken in hun context van toén – ze recontextualiseren: chef 1934 ≠ chef 2016. Dat betekent dat we de vraag naar een materiële oplossing – het terugvinden van de Rechtvaardige Rechters –  op deze stek tussen twee haakjes zetten en een Copernicaanse wending maken: niet de aarde staat in het midden, maar de zon. Niet het eigenlijke van de diefstal interesseert ons, maar het oneigenlijke waarom het van bij het begin te doen schijnt te zijn geweest.

 

Coïncidenties

Een van de pioniers van de historische semantiek was de filosoof Joachim Ritter (1903-1974). Gek, maar deze Ritter formuleerde ook nieuwe ideeën over de betekenis van Jan van Eyck, waarbij hij de revolutionaire inzichten van Goethe omtrent Van Eyck uitbreidde naar het terrein van het zuivere denken: Jan van Eyck als uitvinder van het landschap en daardoor als helper bij de geboorte van het denkende individu en de theoretische rede. Kan het denken schilderen?  Het was in verband met hem dat die vraag zich opdrong. Ik kom hier op terug. In ieder geval heeft er altijd een zekere mutserdgeur om Van Eyck heen gehangen, dat is ook de reden waarom ze die ‘broeder’ Hubert hebben moeten uitvinden – alweer stof voor spannende bijdragen. (Coco, je gebruikt te veel gedachtenstreepjes./Ja baas, dat is omdat ik rizomatisch schrijf – niemand anders mag mij overigens Coco noemen. Want ik ben en blijf: Coralie Coloratuur.)

Goethe heeft Jan van Eyck ontdekt, met hem begint de eigenlijke studie van de Nederlandse schilderkunst. Hij waardeert aan ‘meester Hans’ dat die ‘nach Gesetzen’ werkt, dus volgens principes, gevestigd op een rationeel fundament, op een paradigma. Als je probeert het verschil tussen klassiek en romantiek op een laatste noemer te brengen, een ultiem verschil uit te kristalliseren, dan is het dit: de klassiek gaat er van uit dat er een orde is, een rationele kern die kan worden gezocht. Het Parthenon, de Faust, de grote taferelen in de Bruegelzaal in Wenen, Die Kunst der Fuge – maar dus ook het Lam Gods – beantwoorden aan wetmatigheden die aan deze werken voorafgaan.

Goethe zelf was overigens ook door Van Eyck beïnvloed – ook daar moet ik op dit ogenblik nog aan voorbijgaan. Maar Jan van Eyck maakt het voor hem mogelijk het Grieks-klassieke te verbinden met de tot dan toe door hem veronachtzaamde West-Europese traditie, met de eigen, Avondlandse achtergrond. En op die manier maakt hij van Jan een kroongetuige tegen de romantici.

Willem Frederik Hermans was niet alleen in zijn antiromantisch affect door Goethe beïnvloed. Hij neemt ook Goetheaanse thema’s weer op, denkt ze door en moderniseert het klassieke paradigma. Hermans is een van de pioniers van een andere moderniteit, die op haar beurt doorgedacht moet worden en compatibel gemaakt met bijvoorbeeld digitale media. Dat is het enig denkbare antwoord op de post-kunst en de post-literatuur van de voorbije decennia.

Onze uitgeverij Paradigma heeft hierover een en ander in petto, met name ook over de ecologische klassiek die Lucas voorstaat. (Ik gebruik eens en voorgoed het woord klassiek – als zelfstandig naamwoord – hoewel Van Dale dat niet kent. Maar dat moet, naar analogie van romantiek, wel mogelijk zijn. En het is onmisbaar want klassiek – in de zin van de klassiek van Weimar bijvoorbeeld – is niet hetzelfde als classicisme.)

 

‘Res severa verum gaudium’ (Seneca).

Bedriegers en bedrogenen – neem nu de eenvoudige Humolezers Herman en Kristientje. Wat ze eten is bocht, niets meer waard, zelfs vergiftigd. Wat ze kopen is waardeloos, ze bezitten ternauwernood iets dat niet-wegwerp is. De post-democratie vleit hun, draait hun een rad voor ogen. Ze worden geregeerd door poesjenellen. En de hele culturele bovenbouw… ze zijn leesvee geworden voor een de pers die geen pers is (wat in ‘België’ trouwens nooit bestaan heeft) en gemanipuleerd wordt. Wat ze te zien, te lezen, te horen krijgen – alles troep, surrogaat, vervalsing. Wat voor kunst en literatuur doorgaat: bedrog. Ze verzuipen stilaan ook fysisch in de afval en existeren op een aardkloot waarop het leven hoe langer hoe minder levenswaard wordt.

Tenminste voor wat ons werkterrein aangaat ben ik wel voorstander van bio. Vooral voor de geestelijke mens. Leve dus de culturele revolutie, de ecologische klassiek, de esthetische subversie. (In hogere zin is het dus misschien waar, van die miss-melkproducten. De ecologische klassiek is het bio-product van de stijlen. En ik zou in zekere zin ook een derde miss zijn: miss ecologische klassiek.)

Misschien schrijf ik af en toe wat moeilijk. Dat vloeit voort uit de noodzaak om complexe inhouden compact weer te geven. Ik vertrouw erop dat mijn lezers geen leesvee willen zijn. Dat er af en toe een beetje moet worden nagedacht is een normaal verschijnsel, dat de receptie van meer-eisende teksten begeleidt. Wij verwerpen de premisse van het post-tijdperk, dat iedereen alles meteen moet begrijpen. Kunst is niet de aanpassing aan het laagste niveau, niet het neerhalen van alles onder paternalistisch-democratisch voorwendsels – de renaissance van het völkische beginsel. Het is integendeel een oproep om geen humolezer te blijven en iets te doen met je leven. Er bestaat geen kunst die niet zulke eisen stelt. Het is de boodschap van de archaïsche Apollo in het beroemde gedicht van Rainer Maria Rilke, de oproep die de dichter meent te kunnen vernemen uit de beschouwing van een torso in het Louvre: je moet je leven veranderen.

‘Als je zo doorgaat krijg je nog een volk van filosofen, Coralie, een volk van gevaarlijke denkers.’

Ja, lach maar, maar ik geloof niet dat ik dat kan klaarspelen. Ik zet alleen het werk voort van Arsène, een filosoof van de daad. Diens onderneming Rechtvaardige Rechters was een middel om te filosoferen in een geknevelde en knevelende maatschappij waarin dat op alle andere manieren onmogelijk was. Maar ik hou het wel theoretisch. En terwijl mijn baas zegt wat hij denkt, beperk ik me tot de nederige taak, de waarheid te willen schrijven.