Henry Koehn Posts

Detectivebord, alfabetisch: B

 

In het Sylter Archiv bevindt zich een foto-met-opdracht van Jos de Beer, conservator van het museum Sterckxshof in Deurne, “aan Lt. H. Koehn”. Koehn moet op dat moment al majoor zijn geweest. De foto is niet gedateerd, maar wel het “borstbeeld” van “Beeldhouwer Ed Veryecken” dat de schenker De Beer vereeuwigt en dat van juli 1944 zou zijn. Dat is de maand waarin Koehn terugkeert naar Duitsland, kort daarop zal hij afzwaaien. Op het moment dat wij die foto wilden kopiëren – eeuwen geleden – beschikten we alleen over een fotokopieermachine van het gemeentehuis van Westerland op Sylt. Excuses voor de slechte kwaliteit.

Kennelijk hebben Koehn en De Beer langere tijd contact met elkaar gehad. Volgens de opdracht van de “Museumsdirektor” (aldus Koehn, achter op de foto) was er zelfs sprake van “vier jaren wederzijdsche dienstbetoon” (zo staat het er; cfr. foto, verso).

De Beer was afkomstig van Wetteren en had Arsène Goedertier gekend. Anderzijds was hij al sinds 1895 weg uit zijn geboortedorp. Hij beschrijft Goedertier als “een fantasierijk man, maar niet de dader van de diefstal”! Goedertier zou veeleer een “tussenpersoon” of “bemiddelaar” zijn geweest. (Cfr. MoK II, 308.) Hier krijgen we weer eens de versie “bemiddelaar” te horen – die ook Koehn tot de zijne zou maken; die ook de versie van Julienne Goedertier was, van Arsènes broer Valère en tenslotte van Robert Senelle – grondig gedocumenteerd bij Paul de Ridder in “De RR terug van weggeweest”, Gent 2020.

Volgens de opdracht op de foto moeten er dus meerdere ontmoetingen tussen De Beer en Koehn hebben plaatsgevonden, vier jaar lang. Wat dat “wederzijdsch dienstbetoon” behelsde – we hebben er het raden naar. Waarschijnlijk hebben ze het vaker over de RR gehad, Koehn zal de getuige penibel hebben uitgevraagd, hebben geconfronteerd met andere gegevens die hij bij andere getuigen had verzameld… De schenking van de foto met de opdracht op de valreep van Koehns definitieve vertrek naar Duitsland wijst wel op een zekere warmte in die relatie. We hebben er al op gewezen dat Koehn een aimabel man was, die met zowat iedereen (Julienne Goedertier, Max Winders…) goed kon opschieten. Er is een aantekening van Koehn dat hij bij De Beer op bezoek was in juli 1943. Hij had toen al verbod gekregen om zijn onderzoek in de affaire RR voort te zetten, maar hij heeft dat bij verschillende gelegenheden aan z’n laars gelapt. Voor zijn definitieve terugkeer naar Duitsland heeft hij verschillende Vlaamse kennissen een soort afscheidsbezoek gebracht. De datum van de sculptuur op de foto wijst erop dat De Beer een van hen was.

De Beer was ook de man die tegen Koehn beweerde dat Monseigneur van den Gheyn wist waar de RR zich bevonden: “U zult zien, na de dood van die kanunnik komt het paneel weer te voorschijn.” (Naar MoK II, 308.)

Bovendien zouden Van Puyvelde en Renders bij de zaak betrokken zijn. We hebben dit al even aangestipt: Detectivebord: steekkaart Renders – godin van het Recht.

De foto van het borstbeeld met opdracht aan Koehn; verso.

 

Via De Beer was er ook een contact naar de abdij van Dendermonde. Ik heb in Antwerpen een man gekend – die overleden is; ik kan hem geen bijkomende vragen meer stellen – die bevriend was met een pater van de abdij van Dendermonde met wie ook De Beer bevriend was. Als de pater bij De Beer op bezoek ging, werd ook mijn kennis uitgenodigd voor het gezellig onderonsje. De abdij van Dendermonde duikt in de Affaire telkens weer op.

24 januari 2021.

LM

 

 

 

 

 

Verrassend & foto Kunstschutz

 

7 september 2020. Lucas Mariën.

 

Een bekende historicus uit A. reklameert omdat wij te laatdunkend over zijn vakgenoten gesproken zouden hebben.

‘Wat wil je, als je niets onderneemt tegen lieden die je permanent belachelijk maken? Niet alleen dat zekere nationale schertsfiguren zich voor historicus uitgeven…’

‘Maar de man die jij nu bedoelt geeft zich voor álles uit! Naast astronoom, fysioloog, pediater en spekpater is hij ook nog kernfysicus, astrolabium, filosoof…’

‘Hij houdt zich voor competent genoeg om zelfs in verband met literatuur een duit in het zakje te mogen doen.’

‘Dat loopt dan altijd en terecht slecht af voor zo’n stuk onbenul. Dankzij Het Paradigma en de nieuwe actualiteit van zijn dichtbundel weet iedereen nu wat hij waard is.’

‘Vergeet de kerstverhalen van Eurykleia niet!’

Incident gesloten.

***

De foto van de Brusselse Kunstschutz uit het Archief Rechtvaardige Rechters wou ik nog als primeur kunnen publiceren, voor hij de wijde wereld in gaat. Vermoedelijk is dit de enige bekende foto van dat gezelschap. Helemaal links zit Henry Koehn, uiterst rechts zijn chef, Professor Rosemann.

Kennelijk werd Rosemann door zijn ondergeschikten aangesproken met het Nederlandse woord ‘baas’. In ieder geval luidt de aanhef van een brief die de secretaresse Lotte Weber (derde van links) lang na de oorlog aan hem adresseerde: ‘Lieber Baas’.

Noemde ook Koehn hem zo?

We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

 

***

Een opstel van Wolfgang Krönig uit 1964 in de nalatenschap van Rosemann.

‘Teneur van het opstel,’ aldus Christina Kott, ‘is het tekort aan volledige (…) inventarissen in België. Redenen hiervoor: de ontbrekende organisatie van overheidswege van monumentenzorg.’ Ze citeert dan Krönig:

‘Nóg een reden, niet minder belangrijk hoewel ternauwernood ooit uitgesproken, zou het verlangen zijn naar onbeperkte liberaliteit, het al te ongeremde maar laten betijen van industrie, private bouwactiviteit en stedenbouwkundige ontwikkeling in de voorbije meer dan honderd jaren. Het verlies aan culturele waarden dat het land hierdoor geleden heeft is aanzienlijk. De onaangename aanblik van veel plaatsen en landstreken in stedenbouwkundig opzicht, contrasteert opvallend met het Nederlandse buurland. In Nederland heeft het ‘Rijksbureau voor Monumentenzorg’ een inventarisatie van monumenten op z’n actief die in België tevergeefs zijns gelijke zoekt. (…) Zo kun je maar hopen dat in België niet alleen de inventarisatie (…) in de toekomst in een verhoogd tempo voort zal gaan, maar ook het daarmee verbonden inzicht in de steeds dringender wordende geordende bevrediging van (…) behoeften. Alleen dán kan de gemeenschappelijke erfenis van de Europese cultuurnaties beter bewaard worden voor de toekomst.’

 

***

Een van de opzienbarendste dingen die ik de voorbije dagen geleerd heb: het ontslag van Metternich als chef van de Kunstschutz in België en Noord-Frankrijk zou geen gevolg geweest zijn van de confrontatie met Göring – die dat ontslag vervolgens bewerkstelligd zou hebben. Maar wel zou het in verband hebben gestaan met het ‘Genter Altar’ – het Lam Gods dus. Hoe en waarom? Om velerlei redenen hangt er om dit ontslag een waas van geheimzinnigheid.

 

Archief Rechtvaardige Rechters

6 september 2020. Lucas Mariën

Een schrijver die zich aan een historische stof waagt loopt het gevaar geschiedenis te willen schrijven in plaats van literatuur. Dat is een van de redenen waarom bijvoorbeeld Goethe – ook hierin gevolgd door Willem Frederik Hermans – de ‘historische roman’ afwijst. In de inleiding tot mijn Rechtvaardige Rechters-complex verklaar ik waarom ik hun bezwaar ten dele kan weerleggen. Ik beperk er me hier dus toe te verwijzen naar het eerste deel van dat complex.

De verleiding om historisch onderzoek te doen is – zeker in een geval als dat van de Rechtvaardige Rechters – soms groot en niet zelden heb ik met leedwezen bepaalde strengen moeten laten schieten. Heb ook wel wegen gevolgd die ik niet had hoeven te volgen. Het excuus dat een schrijver in Huichelarije dingen moet doen die in beschaafde landen door historici worden gedaan wil ik niet helemaal laten gelden; niet zelden heb ik erg genoten van mijn onderzoek.

Om de cesuur tussen literatuur en geschiedenis nadruk te verlenen heb ik nu besloten het leeuwendeel van het Archief Rechtvaardige Rechters te delen met dr. Christina Kott, die een echte specialiste is voor dit soort dingen, o.m. voor de Kunstschutz in Parijs en Brussel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze is verbonden aan de universiteit Paris-Pantheon en heeft tal van publicaties op haar naam staan, onder andere ook een boek over de Kunstschutz in België tijdens de Eerste Wereldoorlog:

Le patrimoine de la Belgique vu par l’occupant. Un héritage photographique de la Grande Guerre.

Een uitgave van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, alleen in het Frans.

Dat delen van materiaal bevrijdt mij van een zekere verantwoordelijkheid. Ik krijg er ook wat voor terug: Mevrouw Kott heeft haast alle ter zake interessante archieven bezocht en mij nu inzage gegeven in aantekeningen en fotografisch materiaal die ik anders niet – of alleen ten koste van veel tijd, moeite en ook geld – onder ogen zou hebben gekregen. Een aardig nieuwtje met die herkomst publiceer ik aansluitend aan deze tekst.

Aangezien ik zelf geen geschiedenis wil schrijven moet ik ook niet het origineel van documenten etc. onder ogen krijgen en kan ik het stellen met foto’s en aantekeningen van een ervaren wetenschapsvrouw. Ik verwacht binnen afzienbare tijd ook publicaties van haar hand waarin van het Archief Rechtvaardige Rechters gebruik wordt gemaakt. De ervaring heeft me geleerd dat de meeste Vlaamse historici bronnen overbodig vinden en allang blij zijn als ze van elkaar wat af kunnen schrijven. Doordat ik het archief aan dr. Kott ter beschikking heb gesteld, krijgen die nu allicht de gelegenheid om ook van haar af te schrijven. En iedereen is tevreden.

 

 

Apoftegma 8

1 februari 2020. Lucas Mariën

 

Henry Koehn – hij noemde zich tenslotte cultureel antropoloog en hij had curieuze praktijken bestudeerd in uithoeken en barre streken – laat zelden iets blijken van verwondering over Vlaamse toestanden. Zelfs de ongelooflijke lotgevallen van het grote schilderij van Van Dyck uit de kerk van Dendermonde inspireren hem niet tot waarneembare verbazing. We hebben die vaderlandse actie waarbij de socialisten van Dendermonde dat werk in veiligheid zouden brengen eerder beschreven. Koehn als fotograaf (5). Het doek werd gewoon opgerold en op een open vrachtwagen geladen. Daar bovenop kwamen het huisraad en de schoonmoeder der socialisten. De rol werd als zitmeubel gebruikt en tenslotte achtergelaten ergens in een stal in Frankrijk. Toen Koehn het terugvond was het in feite reddeloos verloren.

Als Duitsers horen dat je met een accent spreekt komt het van de weeromstuit: Ah, u bent Nederlander. Ze kunnen een Russisch, Frans of Angelsaksisch accent heel goed van elkaar onderscheiden. Voor Nederlanders hebben ze respect. Dat je een Vlaming zou kunnen zijn komt niet bij ze op, een Vlaming is niet iets als een Nederlander, hij staat nergens voor. België zien ze sowieso als een Franstalig land. Intellectuelen weten weliswaar dat daar nog een ander volkje actief is, maar dat telt niet echt, is zoiets als folklore. Nederlanders zijn daarentegen knap, een klein land weliswaar, maar bij de pinken. Spelen een rol in de kunst, de wetenschap, de cultuur in het algemeen. Hebben een roemruchte geschiedenis. De grootste Duitse dichters hebben aan die geschiedenis stoffen ontleend: Egmont, Don Carlos… Aan zijn Geschiedenis van de Scheiding van de Nederlanden had Schiller zijn professoraat in Jena te danken. Beethoven was ook een Nederlander, van afkomst, net als een paar van de belangrijkste schilders: Van Eyck, Bruegel, de uitvinders van het landschap en schilderkunst… Aan dat alles denken ze dus als ze zeggen Ah, u bent Nederlander. Onwaar is het niet, en ik laat ze dan in hun wijsheid als ik er van uit kan gaan dat het om een oppervlakkig, eenmalig contact gaat. Anders moet ik alles beginnen uitleggen. Van de putsch die de Nederlanden voor de tweede keer scheidde, over de knevelarij van het zuiden door de katholieken en dat Goethe over een ‘satire op het volk’ sprak. Dat ik de Belgische nationaliteit niet erken en de Nederlanden wil herenigen en dat Willem Frederik Hermans zich vergiste toen hij dit een uitzichtloze onderneming achtte. Ik zou het vijfhonderdjarenplan tot normalisatie en gezondmaking van de Zuid-Nederlandse mens moeten uitleggen. En dat er een groot proces zal komen tot rehabilitatie van de slachtoffers, kunstenaars, heksen, ketters, en dat de paus als voorzitter van de meest criminele organisatie uit de geschiedenis van de mensheid daar zal moeten verschijnen met een bol aan zijn been in een gestreept pak met een dito potske op.

In oktober 1941 maakte Henry Koehn een reis naar Noord Nederland en naar Vlieland, waar hij nog familieleden van zijn moeder vond. Hij is zich ten zeerste bewust van zijn Nederlandse wortels; aan Vlaanderen denkt hij daarbij niet. Zijn houding is daarbij typisch voor die van veel Duitsers, ook nu nog.

Opgetogen is hij over Den Haag, een van de “meest gecultiveerde steden van de wereld”. Ook wat hier volgt citeren we uit zijn reisaantekeningen:

“Men krijgt door de levenswijze, d.w.z. de mensen, de façades van de huizen enz. tegelijk ook de indruk van de individualiteit en vrijheid van de enkeling, zoals ze typisch is voor de noordse mens en in het bijzonder de Hollander. Hiervoor spreekt duidelijk het beeld van de fietser, die rechtop en recht (aufrecht und gerade) zittend met een goede houding en verzorgde kledij, zoals men dat in Kopenhagen ook ongeveer zien kan, en in Stockholm, met goede verkeersdiscipline ook bij drukte zijn weg fietst. Typisch daarbij is dat in Holland iedereen fietst, jong en oud, hooggeplaatst of niet, dus ook de hoge ambtenaren enz. Totaal in tegenstrijd hiermee is het beeld van de fietser in België. Daar zie je alleen maar lage stuurstangen en krom zittende fietsers. Terwijl de Hollander op de fiets zit, ligt de Belg erop.”

Ik fotografeer een standbeeld in Hamburg. Een groep Chinezen uit de Volksrepubliek die mij bezig zien vragen of ik een paar foto’s van hen wil nemen, met hun mobieltjes. Met plezier, aan het werk. Van Vlaanderen hebben ze zeker nog nooit gehoord en het is duidelijk dat ze mij voor een vriendelijke Duitser houden die bereidwillig al hun mobieltjes vol foto’s zet van hun niet minder vriendelijke gezichten van tevreden toeristen. Is er een bij die achterdocht koestert dat ik misschien geen Duitser ben? Waarom ik dat standbeeld fotografeer? Ik zeg dat het een literatuurcriticus voorstelt die de hele literatuur op zijn schouders torst. Of de critici dat doen in Duitsland?

Criticus (met Literatuur).

Niet precies in Duitsland, maar wel heel dichtbij – handgebaar naar het zuidwesten. Daar is er een land waar ze ook een criticus hebben die tegelijkertijd Napoleon en een boegbeeld is. En ik laat een afbeelding van deze man in het museum zien, op het schermpje van mijn fototoestel. Ze kijken met zoveel ontslag naar dit fenomeen dat ik er vertrouwen in heb dat het bestaan ervan nu ook in China bekend zal worden gemaakt. Daarvoor heb ik de hele litanie van de katholiek-maçonnieke putsch van 1830 en de satire op het volk en de roem van de Nederlandse opstand in de belangrijkste literaire stroming sinds de Grieken niet eens te berde moeten brengen. Alleen schematisch, een paar trefwoorden. De Chinezen zijn vooral onder de indruk van dat gestreept potske van de paus. Hierbij de foto van boegbeeld Napoleon, opdat ook onze lezers er gebruik van zouden kunnen maken om onze zaak vooruit te helpen.

Boegbeeld én Napoleon.

 

 

Aanwinsten

 

De specialisten van HP schatten dat Henry Koehn tijdens zijn verblijf in Brussel zowat vijfhonderd brieven aan zijn vrouw, Eva, moet hebben geschreven. Ze waren pas een paar weken voor de oorlog uitbrak getrouwd. Hij schreef haar ongeveer twee keer per week. Een deel van die brieven is op het einde van de oorlog verloren gegaan – Eva vluchtte met haar kleine pleegdochter en een handkar met alles wat ze nog bezat vanuit het oosten.  

Van de overgebleven stukken heeft het Archief Rechtvaardige Rechters in december 2019 – januari 2020 een deel kunnen verwerven, samen met andere documentem en foto’s.