Detectivebord: Steekkaart ‘Ontgaan 1’

februari 2018. Coralie Coloratuur.

Steekkaart ‘Ontgaan’ (1). Wat speurders als Karel Mortier niet opgemerkt hebben.

 

Aangevuld met een beschouwing van Lucas Mariën op 18 februari 2018.

 

 

1

De brieven van DUA aan de bisschop, waarin over losgeld en de teruggave van de gestolen panelen onderhandeld wordt, begonnen met een paukenslag. De eerste zin van de allereerste brief deelde mee dat de schrijver in het bezit was van de schilderijen ‘van Van Eyck’ – in het enkelvoud. Dat dit een eerste breuk was met de heersende sprachregelung die alleen maar over ‘de Van Eycks’ sprak, zelfs over ‘de Van Eycken’ – heb ik hier aangetoond: https://hetparadigma.eu/2016/04/14/van-eyck-enkelvoud/

 

2

De tweede DUA-brief bestaat uit twee delen: de ‘officiële’ brief en de ‘bijlage’, de kattebel waarin DUA zich manifesteert als schrijver en regisseur van het drama waarin aan de bisschop als commissionair, als boodschappenjongen, een bonus van vijf procent wordt beloofd. Cfr. de steekkaart Recht (1 – algemeen) https://hetparadigma.eu/2018/01/23/detectivebord-steekkaart-recht-1-algemeen/

We staan hier voor een intrigerende interne contradictie: de nadrukkelijkheid waarmee DUA ‘officieel’ eist dat politie en gerecht buiten de onderhandelingen worden gehouden is in tegenspraak met de vanzelfsprekendheid waarmee hij er tegelijkertijd van uitgaat dat dit niét gebeurt, dat er hoogstens wordt gedaan alsof. Die ‘bijlage’ wordt toch speciaal op een apart vel geschreven opdat de bisschop ze zou kunnen achterhouden. Qua toon en aanspreekvorm verschilt ze grondig van de stijvere officiële brieven. Maar als DUA écht zou hebben aangenomen dat de bisschop de enige geadresseerde was van zijn missiven, dan was er geen enkele reden om een boodschap toe te voegen op een apart vel, als boodschap achter de rug van de overheid, dan is er geen apart complot nodig, geen combine van hem en de bisschop tegen de justitie. Afgezien van de tegenstelling recht – ‘kerkelijk recht’, die hier weer komt piepen, manifesteert DUA ook wat ik zijn vermogen tot meerstemmigheid zou noemen. Zijn boodschap is niet tot één lezer gericht, er is een tweede niveau – en zelfs een derde. De eerste twee brieven zijn schijnbaar tot de bisschop gericht, maar blijkens de ‘bijlage’ bij brief 2 ging de schrijver er van uit dat er meelezers waren – de eigenlijke geadresseerden. Dan is er een niveau waarop de bisschop écht aangesproken wordt: de bijlage bij 2. Tenslotte wordt er in het verdere verloop van de correspondentie een derde niveau zichtbaar. Als de onderhandelingen spaak beginnen te lopen zal DUA de bisschop uitdrukkelijk waarschuwen voor het oordeel van de geschiedenis dat onverbiddelijk zal zijn als het paneel van de Rechtvaardige Rechters definitief verloren zou gaan.

De rolverdeling wordt op die manier steeds complexer. Er is een boodschap voor de bisschop, een voor de justitie en de overheid en wellicht… een voor de publieke opinie die voor de eerste keer in het laat-feodale Tartufistan bij iets anders betrokken wordt dan bij de mirakelen van Lourdes en de pauselijke zegen voor de wilde volkeren. We zijn niet voor niets op het hoogtepunt van de Walschapvervolging, op het moment van de diefstal, voorjaar 1934. In De Standaard staan de berichten over de diefstal naast de hetzestukken van dempige pijen en zompige soutanes tegen de Adelaar van Londerzeel.

Inlas Lucas Mariën:
‘Brief 2 voltrekt de overgang van gewone taal naar wat ik hier gemakshalve ‘literaire taal’ zal noemen. Met literaire taal hebben de brieven gemeen dat ze afwijken van onze gewone dagelijkse rede die bestemd is om communicatie te realiseren met zo weinig mogelijk misverstanden. In de literatuur vinden we daarentegen een taal sui generis, een taal van een eigen, bijzondere soort, een alsof-taal die niet dient voor zulke communicatie. Als we ons bijvoorbeeld een verhaal van oma Eurykleia voorstellen waarin Marc Reynebeau in de parochiezaal van Sint-Baafs-Vijve voorleest uit zijn dichtbundel ‘Spelbederf’, bij welke gelegenheid enkele jeugdige bewonderaarsters luid krijsend in trance vallen – de angst grijpt hem al om het hart dat er op het einde van de avond geen fan meer bij bewustzijn zal zijn voor een tête à tête over hexameter en enjambement. Hij zoekt de hysterie wat af te remmen met het nuchterste, het minst übermenschliche gedicht uit ‘Spelbederf’ – maar als hij dan gekomen is bij:

‘naar Rome reizen is
in besmette plassen zwemmen
En heeft niets met goddelijkheid te maken’

slaakt ook de laatste overgebleven bewonderaarster, Imelda Daas, een kreet van ontzetting en valt als Semele, de moeder van Dionysos, die door de bliksem getroffen werd, in een soort hysterische verstarring, zodat de hulpdiensten moeten worden gealarmeerd.

Dat alles betekent dus niet dat er écht ambulances onderweg waren, of zelfs maar dat de bewonderaarsters van Marcs goddelijkheid echt bestaan. Dit kleine tafereel heeft niet de functie iets mee te delen. Het dient alleen maar om de lezer in een bepaalde toestand te brengen, hem de alledaagse dingen voor enkele ogenblikken te doen vergeten, hem met aangename humor te vermaken. De inhoud heeft geen belang en wordt gekozen in functie van het te bereiken doel. In die zin is dit taalgebruik gelijk aan muziek, het is sui generis, betékent niet. (Ik zie even af van de sluikreklame die Oma als verkoopsdirecteur van uitgeverij Het Paradigma hier maakt, ongetwijfeld met het oog op haar lievelingsproject, de heruitgave van ‘Spelbederf’.)

Alles samen hebben de DUA-brieven niet in de eerste plaats een zakelijke, maar wel een esthetische functie. DUA wilde wel dat de gestolen panelen weer op hun plaats terecht zouden komen, maar dat is niet genoeg. Er is bij heel deze onderneming iets van theater, van demonstratie, van satire ook. De geadresseerde van de brieven is wel degelijk de bisschop, maar DUA gaat er van uit dat de affaire wel onderhands geregeld kan worden, zoals Onze Moeder de Heilige Kerk in zulke gevallen gewoon is te doen. Maar tegelijk – daarin treed ik Coralie en haar briljante analyse bij -, schrijft hij naar een publiek toe.

Zijn groot drama loopt uit de hand, zijn meesterwerk is onvoltooid gebleven. Er was een tekst, een draaiboek, maar we hebben alleen maar het begin van de realisatie gezien. Wat we niet gezien hebben kunnen we alleen maar reconstrueren zoals filologen verloren werken uit de oudheid gereconstrueerd hebben: uit fragmenten, uit analogieën, uit de bestrijding ervan door tegenstanders, uit de analyse van wat de betrokkenen indertijd ons graag wilden doen geloven. Hele generaties van filologen hebben er toe bijgedragen dat zulke reconstructies het verloren origineel dikwijls heel dicht benaderen.

 

3

De ‘bijlage’ bij brief 2 kan het vermoeden doen rijzen dat de openlijk beleden eis van geheimhouding voor de galerij is.

Is dan misschien de hele briefwisseling komedie? Speelden DUA en de bisschop misschien zelfs onder één hoedje? Was die briefwisseling misschien maar opgezet spel, een farce om de wereld zand in de ogen te strooien? Wij samenzweerders achter de rug van de overheid? Tegen deze veronderstelling spreekt de humor van DUA, het sarcasme waarmee hij niet alleen de bisschop hoont, maar ook het instituut dat die vertegenwoordigt. De van de gewone eerbied gespeende aanspreking, de aanslagen op de katholieke sprachregelungen. Na die enkelvoudige Jan van Eyck in de eerste brief https://hetparadigma.eu/2018/01/23/detectivebord-steekkaart-recht-1-algemeen/, nu de pertinentie waarmee gesteld wordt dat het Lam Gods niet het eigendom is van de kerk https://hetparadigma.eu/2018/01/23/detectivebord-steekkaart-recht-1-algemeen/. De hele onderneming waardoor de kerk de duidingsmacht over de Rechtvaardige Rechters definitief wordt ontnomen – mede dank zij Henry Koehn in en Karel Mortier na de oorlog.

 

4

De onwaardeerlijke Karel Mortier heeft zich afgevraagd of de DUA-brieven niet getuigen van een bepaalde maniera waaraan de bisschop zijn neef zou moeten of kunnen hebben herkend. Gent was indertijd een dorp. Zo’n ironicus, zo’n Voltaire van den lande – kon de caustische geest die in staat was om de DUA-brieven te schrijven onopgemerkt blijven in dat milieu? Gezien ook de hel die losbrak bij de vaak veel onschuldiger uitingen van Walschap. Te meer ook omdat Arsène Goedertier een neef van de bisschop was en regelmatig bij hem dineerde.

Dit is een van de vele vragen waarop we nooit een antwoord zullen krijgen. Maar is de echte filosofie niet veeleer een kwestie van het stellen van de juiste vragen dan van het formuleren van twijfelachtige antwoorden?