Kerstverhaal van Eurykleia

Kerstgroet aan oma van Coralie

 

 

Uit Zelfspelers jeugd.

Geïllustreerd kerstverhaal

Door Eurykleia Coloratuur. December 2017.

 

Als ik met zoveel gemak politieke tribunes kan schrijven waarbij, zoals een dankbare lezer formuleert, de concurrentie beschaamd wordt en verbleekt, dan moet ik mij toch ook hoger kunnen ontwikkelen. In mijn land van herkomst beginnen ze gewoonlijk met literatuur om zich lager te ontwikkelen en te eindigen als journalist. Maar tenslotte leef ook ik in de innere Emigration, ik ben anders.

Ik sta er hier intussen al drie maanden alleen voor. Mijn kleindochter Coralie is nog steeds bij haar verloofde in Syracuse en Lucas wrocht aan zijn nieuwe boek. Als ik niet nog een zekere hoop zou koesteren dat prof. Zoetesmeer er op een of andere manier toch nog in slaagt Lucas’ boek op de index van verboden boeken te laten plaatsen – in ieder geval: de morele columns die de professor ons stuurt zijn puur gezwets en ik heb stilaan mijn buik vol van zijn… Nou ja, van hem verwacht ik in ieder geval niets meer.

Geïnspireerd door Lucas’ verhalen over de ongewone ontwikkelingsgang van de dichter Frans Zelfspeler – ‘Heren van het morgengrauwen’ wordt door de lezers erkend als hilarisch hoogtepunt in ‘Alle lust wil eeuwigheid’ – en door een zeker levensverhaal dat ik kort geleden te horen kreeg, benevens bepaalde herinneringen en de wens om de kerstsfeer te bevorderen… Kortom hier is het!

 

Aken, Mayersche Buchhandlung. Een half jaar later. Van Eurykleia.

Hoofdstuk 1

‘Gezamenlijk’ – dit is de woordkeuze van Heeroom Jos, in zijn latere schriftelijke biecht voor zijn bisschop – ‘gezamenlijk’ had de familie De herderkens lagen bij nachte gezongen, eenendertig-stemmig, met contrapunt en alles. Kleine Frans, de toekomstige Vlaamse dichter, had prachtig de solo vertolkt. ‘Niets is immers zo mooi en engelachtig als een knapenstem,’ schreef Heeroom Jos, ‘als reine hemelsklank op de duistere aarde, klonk die.’

Hij moest lang nadenken over een passage waarin hij met begrip zou schrijven over vroegere geplogenheden in de kerk, waardoor deze stemmetjes levenslang bewaard bleven door alleen maar een kleine ingreep, maar hij was nog niet zeker of dat in goede aarde zou vallen. Want hoe ontbeerlijk de bij de kleine ingreep verwijderde organen uit kerkelijk oogpunt ook waren, het was niet op ieder moment opportuun sommige praktijken uit het verleden onder de neus te wrijven van het hedendaagse publiek. Er bestonden waarheden die een zekere conjunctuur hadden. Van een moraaltheoloog werd in zulke gevallen een bijzondere kiesheid verwacht.

Maar kleine Frans dus.

Braaf dat die jongen was! Zoiets zie je tegenwoordig niet meer, Eminentie, er steekt echt iets in die knaap! Zoals dat stemmetje tremoleerde bij ‘ze hadden hun schaapjes geteld’. En dan ‘daar hoorden ze d’ engelen zingen’, Eminentie, aangrijpend, alsof de engelen zelf in onze familiekring verschenen en dit fenomeen gelijktijdig zelf verklankten.

Dan ging Fransje zijn nieuwjaarsbrief voorlezen. Maar het was niet ‘Lieve Peter’ dat ik te horen kreeg, maar ‘Spelbederf’ van Marc Reynebeau!

Fransje had al anderhalf gedicht voorgedragen, voor het tot het gezelschap doordrong dat dit ànders was, en dan duurde het nog enige tijd voor er iemand hem, zo schreef Heeroom Jos, ‘hem dorst te onderbreken’.

‘Langs de valleien van somber zelfbeklag’, dreunde Frans –

Daarbij kon immers nog gedacht worden aan de boetvaardigheid van de bekeerde zondaar. Die valleien – was dat niet het aardse tranendal dat zoveel aanleiding geeft tot vrome inkeer? Is het een wonder, dat de verzuchting van onze vroegrijpe jongeling geen argwaan wekte? Temeer omdat drie groottantes net bezig waren de glaasjes met zelfgemaakte advocaat te vullen.

Maar toen de prille knapenstem het dan uitgalmde, van een ‘glijbaan om op stil te zitten’, toen had tante Julia, de oudste van de tante-nonnekens, het niet meer kunnen uithouden op haar tabouret – het was een pluche tabouret waarin ook bepaalde voorwerpen konden worden bewaard – en ze had geprotesteerd.

Ja, ik geef het toe, Eminentie – ikzelf heb haar toen sussend toegesproken in verband met de wenselijkheid van rebelse katholieke dichters en dat ze dat transcendentaal moest begrijpen, zodat Frans kon doorgaan met zijn declamatie.

Fransje studeerde immers voor Vlaams dichter!

‘Wij, katholieken, hoeven ons niet langer te verstoppen,’ had Heerooms literatuurwetenschappelijke collega en vriend prof. Daas verkondigd, ‘maar we mogen zelfbewust voor het voetlicht treden.’ Frans kon al de volledige werken van Herman de Coninck, Zuster Maria-Jozefa, Charles Ducal en André Demedts uit het hoofd reciteren – met welke kolossale geesten hij Marc Reynebeau intussen op een lijn stelde – wat toch van een ontwakende persoonlijkheid en eigen smaak getuigde. Reynebeau was wel een gewaardeerde medewerker van ‘De Standaard’, maar zó ver was prof. Daas toch nog niet gegaan.

Frans nam de houding aan van een groot acteur voor de eerste monoloog van Mephistopheles en galmde het uit:

‘Zo zijn wij altijd weer de sigaar maar,

Zoals gezegd

Toch ook een beetje god’

Het was waar, zoals de Monseigneur kennelijk al ter ore gekomen is, dat hij zelf, de schrijver van dit verslag, op dat moment in een eikenhouten fauteuil in Bruegel-stijl gezeten had, met kleine kwastjes aan de kussens in smaakvol mosgroen fluweel – de tante-nonnekens zaten, een beetje lager, rond hem op de taboeretten. Op de gele kruk – niet feller geel dan het dons van een pas uit het ei gekropen eendje of de advocaat waarvan ze al te veel geproefd had – zat Tante Julia, de jongste en minst ervaren van de tante-nonnekens. Dromerig, in vervoering over de schone poëzie prevelde ze Frans na: ‘een glijbaan om op stil te zitten’, ‘een sigaar’ en ‘ook een beetje god’! De advocaat was met biologische eieren van de eigen kippen gemaakt en met jenever van de Aldi.

Eminentie!

Daar was Frans’ kleine zusje Maria Magdalena, een astrant ding op wie de voorbeeldige christelijke opvoeding die de kinderen hier kregen geen vat scheen te hebben. Ze had ‘De herderkens lagen bij nachte’ al niet willen meezingen en nu dit!

‘Als hij geen sigaar was, maar god,’ vroeg ze op dit moment luidkeels, om al het geroezemoes te overstemmen, ‘hebben ze Marc Reynebeau dan ook in een kribbetje gelegd zoals het kindje Jezus?’

 

Tweede hoofdstuk met katharsis.

Eminentie!

Geen moraaltheoloog kon hier immers langer zwijgen! Te meer omdat ik van ontzetting over de verschillende ketterijen die hier aan het licht kwamen mijn glas advocaat op het langpolig tapijt liet vallen.

Vervolgens – het is waar Monseigneur – ben ik overeind gevlogen met het oogmerk transcendentaal een einde te maken aan al dit ketterse discours, waarbij mijn linkervoet in dat springtouw is blijven hangen, dat de reeds genoemde Maria Magdalena had laten slingeren, waarbij de kerstboom, na eerst omgevallen te zijn nadat ik aldus tot val kwam, in brand schoot en het hele interieur in vlammen opging, benevens de dikke ordner met alle tot dusver door Frans geschreven gedichten. Een groot verlies voor de christelijke letteren in ons land! Want dit durf ik wel te getuigen: ze zijn in geen geval slechter als die van Marc Reynebeau.

Dit is het ware relaas van de gebeurtenissen, Eminentie, maar uit moraaltheologisch oogpunt moet vergeving, zelfs in een geval als dit, mogelijk zijn.