Henry Koehn: In het verzet? (1)

 

Henry Koehn: In het verzet? (1)

[november 2017; Coralie Coloratuur, geplaatst door Eurykleia.]

 

“… het succes van uw werk is een briljant bewijs van echte Europese gezindheid.

Daarom zijn allen die nog een gevoel hebben voor de waarde van de Europese cultuur

U erkentelijkheid en dank schuldig.”

Prof. Dr. Franz Graf Wolff Metternich

aan  Henry Koehn, 30 augustus 1944.

(Archief Rechtvaardige Rechters)

 

 

Het hoofdkwartier van de Kunstschutz blijft maar kort in Brussel. Na de zomer van 1940 wordt het overgebracht naar Parijs. Brussel wordt afgeslankt tot dependentie onder leiding van Prof. Dr. Heinz Rosemann. Maar er is tijdens die eerste zomer een relatie ontstaan tussen Henry Koehn en de chef van de héle Kunstschutz in België en Noord-Frankrijk, Prof. Dr. Franz Graf Wolff Metternich zur Gracht – die dus naar Parijs verhuist. Metternich was een notoire anti-nazi die herhaaldelijk probeert de fanatici van de SS een been te lichten. Hij doet daarbij een beroep op de discrete en betrouwbare medewerking van Koehn.

Op de eerste Duitse Kunsthistorikertag in 1948. Rechts Koehns eigenlijke chef in Brussel, Prof. Dr. H. Rosemann en links de grote chef van de Kunstschutz in Parijs, Prof. Dr. Franz graaf Wolff Metternich zur Gracht. Bildindex FotoMarburg.

 

2

Metternich is het centrum van de Kunstschutz, die hij als het ware erft van zijn mentor en professor aan de universiteit Bonn, Paul Clemen. Clemen had zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog ingezet voor de totstandkoming van internationale verdragen en jurisprudentie ter bescherming van cultureel patrimonium in oorlogstijd. Hij wil het ‘landoorlogreglement van Den Haag’, het ‘Reglement betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land’ (1899/1907) dat regels vastlegde voor de behandeling van de burgerbevolking in oorlogstijd, van krijgsgevangenen uitbreiden naar cultuurgoed.

Al in 1914 publiceert hij een artikel in die zin. Hij richt een organisatie op binnen het leger, de Kunstschutz, die zich onder andere nuttig maakt met de inventarisatie van (in de eerste plaats architecturale) objecten die in aanmerking komen voor bescherming. Met name in het bezette België worden er tienduizenden foto’s gemaakt, hoofdzakelijk van gebouwen. Het is de eerste inventaris van bouwkundig erfgoed van het land.

Tussen twee haakjes, dat reglement wordt tot op heden met voeten getreden. Ik verwijs naar de Jemenitische hoofdstad Sanaa, werelderfgoed van de Unesco, de jongste tijd gebombardeerd door de westerse plaatsvervanger Saoedi-Arabië. Deze oorlogsmisdaden, overigens ook tegen de bevolking, worden vanzelfsprekend doodgezwegen door de mainstreammedia. Die hebben het te druk met het verzinnen van laster over de Russen. Ik herinner ook aan de plundering van de musea in Irak onder toezicht en met medeplichtigheid van de Amerikanen. Die deinzen er zelfs niet voor terug folterpraktijken van de inquisitie opnieuw toe te passen (waterboarding).

 

3

Ik hoor mijn chef al zeggen: ‘Wat maak je je weer druk Coralie! Dat is toch geen sprezzata desinvoltura! Bijvoorbeeld als Salome danst op het schilderij van Ghirlandaio, dan is dat nog met heftige sprongen als een slecht opgevoed schoolmeisje dat – door haar strenge vader te weinig gecontroleerd – naar popconcerten gaat. Maar als je dan ziet in de echte renaissance, Coralie, die nobele houding bij Andrea del Sarto, die vorstelijke schrede met tegelijk iets achteloos, iets luchtigs – zou jij dus als bij Sarto willen zijn? Of slechts bij Ghirlandaio?’ Zo bekritiseert hij me aan de lopende band. En dat terwijl ik nooit naar popconcerten geweest ben.

Wie zich inbeeldde een echte Renaissancemens te zijn, was Reichsmarschall Hermann Göring, vooral doordat hij in de positie verkeerde om zich een privémuseum van belangrijke kunstwerken bijeen te stelen. Op 5 februari 1941 bezichtigt hij in beslag genomen kunstwerken in het Jeu de Paumes in Parijs om er zijn keuze te maken. Het is het vaakst vermelde wapenfeit van graaf Metternich dat hij Göring toen getrotseerd heeft.

Op het moment dat hij verneemt dat Goering in het Jeu de Paume is, trekt hij daar naartoe met zijn rechterhand, Dr. von Tieschowitz. Hij wil als chef van de Kunstschutz als het ware vaststellen wat Göring daar uitricht en als getuige aanwezig zijn. Görings optreden bij nacht en ontij zou op die manier in het volle licht komen te staan door een ambtelijk optreden. Metternich zou Göring dus op de vingers kijken.

Niet alleen van Franse kant was er al protest gerezen tegen de inbeslagname van kunstwerken, ook bij de ‘militaire bevelhebber in Frankrijk’ heerste er terzake ‘een opvatting die met die van de heer Reichsmarschall in strijd was’[1]. Gewezen op bezwaren uit het oogpunt van internationaal recht zou Göring hebben geantwoord: ‘Das wird Gott sei Dank von uns entschieden.’[2]

In ieder geval, Göring ‘ergerde zich duidelijk aan het verschijnen’ van Metternich en zijn assistent en ‘maakte duidelijk dat hij geen inmenging van de Kunstschutz wenste, dat de aanwezigheid van de heren bij de bezichtiging overbodig was’[3]. Metternich werd m.a.w. wandelen gestuurd en vervolgens op initiatief van Göring ontslagen. Eerst met verlof gestuurd waarbij ieder ambtelijk optreden hem verboden wordt, daarna door Hitler ontslagen in juni ’42.[4] Wat dit alles voor hem betekend zou hebben als hij niet de beroemde naam Metternich zou hebben gedragen, staat in de sterren geschreven.

 

4

Er was ook bij de Kunstschutz, zowel in Parijs als in Brussel, een groep officieren en hoge ambtenaren van wie het een publiek geheim was dat ze een afkeer hadden van het nazisme. Bij sommigen was dat misschien niet meer dan de minachting van de aristocraat voor de straatvechters van de partij, bij anderen meer gefundeerd. In ieder geval kon die aversie niet al te duidelijk gemanifesteerd worden. Ik heb al gewezen op de verholen kritiek in Moltkes opstel over de madonna van Groeninghe: http://hetparadigma.eu/2017/10/26/moltke-recalcitrant/

In de kringen van Metternich in Parijs uitte zich dat onder meer in een sociaal leven dat de opvattingen van de nazi’s contramineerde. Er werden lezingen georganiseerd waarin onorthodoxe opvattingen werden verkondigd, of dingen die de nazi’s op z’n minst niet graag hoorden – vaak gehouden door echte specialisten en op een hoog niveau. Een voorbeeld is een lezing met diaprojectie van Metternich zelf op 14 januari 1942, over de gotiek als Frans fenomeen. De spreker vertrekt van de vaststelling dat ‘de romantiek’ de gotiek beschouwde als een ‘op Duitse bodem gegroeide’ kunsthistorische epoche. De moderne wetenschap heeft deze theorie ontkracht. Er zijn weliswaar veel invloeden opgegaan in de gotische architectuur, ook Duitse en noordse, maar die betreffen niet de kern van de zaak. ‘De enige voor het ontstaan van de gotiek vruchtbare verbinding van alle elementen is voltrokken in de Ȋle de France.’[5] Metternich was francofiel en liet dat blijken. Zijn inzet voor het Franse patrimonium was zonder twijfel ingegeven door een oprechte liefde voor de Franse cultuur. Een revolutionair was hij zeker niet, maar een man met ruggengraat. Hij was op de hoogte van en sympathiseerde met Koehns zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters. Koehn was in de eerste oorlogsjaren meerdere keren in Parijs, maar daar is relatief weinig over bekend. Wel hield hij er over het Lam Gods naast de officiële, ambtelijke correspondentie ook een particuliere met Metternich op na.

Vast staat dat het dit milieu was dat de Stauffenberg-aanslag gedragen heeft, hetzelfde milieu waarin Henry Koehn, de speurder naar de Rechtvaardige Rechters zich bewoog.

 

5

Begin september 1942 krijgt Koehn een exemplaar toegezonden van Metternichs lezing over de gotiek. Het begeleidende briefje was van Von Tieschowitz, de vertrouweling die Metternich vergezeld had bij zijn poging tot pottenkijken bij Göring in het Jeu de Paume.

 

 

Was deze zending een kleine attentie van de ontslagen chef bij zijn vertrek uit Parijs? Aan een medewerker in… delicate aangelegenheden? In ieder geval was het een blijk van waardering voor een medewerker die zijn vertrouwen en achting genoot.

Het motto dat wij boven deze bijdrage hebben gezet komt uit een brief van Metternich aan Koehn van 1944 – het is op dat moment nog steeds oorlog en de graaf drukt zich voorzichtig uit, zonder twijfel ook met het oog op de veiligheid van Koehn. Met zijn naam en staat van dienst moest hij er wel van uitgaan dat zijn brieven tenminste gedeeltelijk werden mee-gelezen. Gezien die omstandigheid was wat hij daar schrijft het verste dat hij kon gaan om zijn waardering voor Koehns medewerking uit te drukken.

 

 

 

 

  1. Festschrift Graf Wolff Metternich. Rheinischer Verein für Denkmalpflege und Landschaftsschutz, Jahrbuch 1974. Keulen 1973. P. 22.
  2. T.a.p.
  3. T.a.p.
  4. O.c., p. 12-13.
  5. Franz Graf Metternich: Die Entstehung der Gotik. Gestencild, nalatenschap Henry Koehn. Januari 1942.