Koehn als fotograaf (5).

mei ’17. Coralie Coloratuur.

 

Een van de eerste grotere zaken waarmee Henry Koehn in de zomer van 1940 door de Kunstschutz belast werd, was het terugvinden en -brengen van schilderijen uit Dendermonde. Bij het begin van de oorlog was er een hele collectie, afkomstig uit het stadhuis en uit de Lievevrouwekerk, naar Frankrijk geëvacueerd.

Over de lotgevallen van deze collectie schreef Jozef van Overstraeten een stuk in ‘Toerisme’ (jg. 19, sept. 1940), onder de titel ‘De oorlog en ons Toeristisch Patrimonium’. Hij stelt dat de schilderijen schade hebben geleden ‘door de schuld van eigen overheden!’:

‘Deze Heeren, die half Juli nog in Frankrijk zaten, lieten in Mei de schilderijen (…) op een vrachtauto laden om ze… naar dat land te brengen. Op denzelfden wagen laadden ze echter ook hun meubelen, huisraad, familieleden en… zichzelf. Daar ze niet over de Fransche grens geraakten, brachten ze dan maar hun persoontjes in veiligheid en lieten de kunstschatten achter op een hofstede in West-Vlaanderen. Daar werd alles op een hooischelf opgeborgen (…).’

Volgens het rapport dat Oberleutnant Koehn over de aangelegenheid opstelde zou de vrachtwagen, met de opgerolde doeken er bovenop, ook langer dan een dag in de regen hebben gestaan. Met grote schade voor gevolg. Het belangrijkste doek was, volgens de mensen die er in die tijd mee te maken hadden, een groot (bijna 3 meter bij 4) altaarstuk van Antoon van Dyck. Maar er was ook een Teniers bij en een Van Cleef.

De Kunstschutz stelde vrachtwagens ter beschikking om alles terug te brengen. Koehn maakte een foto van de grote Van Dyck. Op de achterkant vermeldde hij gewoontegetrouw wat er op de foto te zien was.

De restauratie werd op vele miljoenen geschat, maar Jozef van Overstraeten meende toen al: ‘herstellen in den oorspronkelijken toestand zal beslist onmogelijk zijn’.

 

De grote Van Dyck, ná in veiligheid te zijn gebracht door de Belgische overheid. Foto: Henry Koehn.

 

 

Koehn als Dr. Kuhn.

Koehn was niet te spreken over de medewerking van de betrokkenen in Dendermonde. Er warem meteen ook conflicten tussen de overheid en de kerk over de restauratie en vooral over het wie die zou moeten uitvoeren. Op Koehns initiatief werden de schilderijen niet teruggebracht naar Dendermonde, maar ze werden naar het museum van Schone Kunsten in Antwerpen gestuurd.

Over zijn interventie schreef Het Algemeen Nieuws van 28 september 1940:

‘De Kerkfabriek stond letterlijk radeloos, maar Dr. Kuhn, akkoord met burgemeester Blanckaert, nam al spoedig het besluit de schilderijen naar het museum van Antwerpen te sturen.’