Kants kritiek. Het brein als computer.

maart 2017. Het Paradigma.

 

Dit opstel werd lang geleden (in 2005) geschreven als vriendendienst. Het is een inleiding tot het werk van de filosoof die omstreeks de tijd dat de Rechtvaardige Rechters gestolen werden zozeer gehaat en bestreden werd door kardinaal Mercier, en uitdrukkelijk gewaardeerd en geprezen door Gerard Walschap. 

 

 

Het brein als computer. Kants Kritiek.

___________________________

 

Vorig jaar werd wereldwijd de tweehonderdste verjaardag van de dood van Immanuel Kant (1724-1804) herdacht. Het was opvallend, dat met zoveel warmte en waardering over hem werd geschreven. Dat had niet alleen met tijdshistorische omstandigheden te maken: de oorlog in Irak mobiliseerde Europese intellektuelen, die onder impuls van de filosofen Derrida en Habermas in enkele grote europese bladen een manifest publiceerden waarin het Kantiaanse concept van de “Eeuwige Vrede” als programma voor politiek handelen in deze tijd wordt voorgesteld. Maar ook Kants hoofdwerk, de “Kritiek van de Zuivere Rede” (ter gelegenheid van de herdenking in het Nederlands vertaald), blijft de wereld fascineren. Er is dan in herdenkingsartikels vaak sprake van “duizelingwekkende” constructies van de geest, over “galaxieën van het zuivere denken”, “peilloze abstracties van de rede”… en Kant wordt de enige moderne filosoof genoemd die de vergelijking kan doorstaan met andere eenmalig-baanbrekende figuren als Sokrates en Aristoteles.

Er is veel wat hem sympathiek maakt, die fysiek benadeelde man – hij had een hoge rug – die een reus van die geest werd. Een filosofieprofessor in Königsberg, een beetje een curieuze vrijgezel, die twee keer in die verleiding kwam om te trouwen, maar die dan zo lang aarzelde, dat de dames in kwestie al andere engagementen waren aangegaan. Veel mensen hebben van hem onthouden dat hij elke namiddag een wandeling maakte, zo stipt en volgens altijd dezelfde route, dat de mensen beweerden hun klok op hem gelijk te kunnen zetten.

Alles wijst erop, dat hij zijn plichtmatige gestrengheid pas heeft aangenomen om zijn grote Kritieken – naast die van die zuivere rede zijn er nog die van die praktische rede en die van de smaak – te kunnen voltooien. In zijn jeugd was hij zelfs een society-figuur, die niettegenstaande zijn on-atletische gestalte veel succes had bij de vrouwen. Zijn bult is duidelijk te zien op de tekening van Friedrich Hagemann. Die toont de filosoof bij de bereiding van mosterd. De connotatie “weten waar Abraham de mosterd haalt” ligt ook in het Duits voor de hand – misschien wou de tekenaar zelfs aanduiden dat Kant de mosterd bereidt voor de hele mensheid.

De toestand van de filosofie in zijn tijd wordt door hemzelf een catastrofe genoemd, en de mens bevindt zich volgens hem ten gevolge daarvan in een “dogmatische sluimer”. Bepaalde instituties en leerstelsels werden klakkeloos aanvaard en eindeloos herhaald. Er werden debatten gehouden over het geslacht van engelen of over het vraagstuk hoeveel zielen plaats konden vinden op die punt van een naald.

Kant eist kritisch denken in de filosofie – wat in die absolutistische tijden niet vanzelfsprekend was. “Kritiek” wordt zo fundamenteel, dat ze als hoofdkenmerk van een tijdperk wordt gezien. En Kant brengt teweeg wat sindsdien een copernicaanse ommekeer in het denken wordt genoemd: zoals Copernicus het middeleeuwse wereldbeeld ondersteboven had gekeerd door te bewijzen dat de aarde om de zon draait, en niet omgekeerd, zo ging Kant er van uit dat tot dan toe een verkeerd denkmodel gehanteerd was. Men had alleen maar resultaten van denkprocessen onderzocht, inhouden dus, en men bleef maar doorbomen over de eigenschappen van God en de ziel, terwijl alles er op wees dat we van die dingen niets kunnen weten. De logische fout was, zo toonde hij aan, dat we uitgaande van begrippen – in plaats van bijvoorbeeld waarnemingen – alleen maar nieuwe begrippen kunnen ontwikkelen, en geen zekerheden. Als ik uitga van “het regent”, dan kan ik tot de conclusie komen “ik word nat”, maar waar kom ik terecht als ik uitga van het einde (of het begin) van de wereld? Er kan immers net zo goed beweerd worden, dat de wereld van alle tijden is en dat hij geen begin of einde heeft. Kunnen we ons daar trouwens überhaupt iets bij voorstellen, het begin van die wereld – en wat dan wel precies? Op z’n minst kunnen beide opvattingen (on)waar zijn.

Dan is het in de wis- en natuurkunde anders gesteld. En het was een schande, zei Kant, dat de filosofie niet dezelfde zekerheden bood. Wat hij wilde, is precies een filosofie die dat ook kan. Daartoe wil hij niet meer inhouden onderzoeken, maar het denken zelf en de denkprocessen die tot echte vermeerdering van weten leiden. Dat wordt bedoeld met zijn copernicaanse revolutie: het volle zoeklicht gericht op de computer en hoe die moet functioneren om vorderingen te maken.

Het grote, baanbrekende werk over het menselijke kenvermogen dat kort voor de Franse Revolutie in 1781 verscheen – en dat in zijn uitwerking vaak met die revolutie vergeleken werd –  is zijn beroemdste, zijn hoofdwerk, de Kritiek van de zuivere Rede, of de Kritik der reinen Vernunft. Op z’n minst werd zeer veel onzin voortaan onmogelijk.

Die vraag was al veel ouder: Wat weten we zeker?

Als we dromen, dan hebben we toch de indruk dat de wereld die we dromen even reëel is als die waarin we wakker zijn. Als we in een droom bij een bezinestation tanken, dan is het de hele tijd toch alsof we dat ook echt doen, en dat het benzinestation echt bestaat. Als die droom dan zo echt is, wie geeft ons dan de garantie dat de echtheid die we in het dagelijks leven in ons hoofd hebben niet evenzeer op illusie steunt? Weten we zeker dat er geen boze demon is, die ons dat alles voorspiegelt en ons voor de gek houdt, vraagt Rene Descartes (1596-1650)? Als we alles weglaten wat we niet absoluut zeker weten, wat houden we dan eigenlijk nog over? Descartes’ terecht zeer beroemde antwoord, dat het uitgangspunt van zijn filosofie zal worden is: Je pense donc je suis.  Het feit dat ik die twijfel heb, veronderstelt een instantie die twijfelt en die dus bestaat, nl. “ik“, de vragensteller.

Kant vraagt zich af hoe die ik informatie uit de wereld ontvangt en verwerkt. Op z’n minst hebben we de indruk dat er verschijnselen zijn die zich aan ons voordoen: benzinestation, scherm, toetsenbord. Maar dat is niet genoeg: die fenomenen zouden alleen maar chaotische impressies zijn, als er niet door ons verstand zelf bepaalde ordeningen of structuren in werden aangebracht. Strikt genomen zien we immers geen toetsenbord, maar een plastic-raam met plastic-knopjes met tekens erop die we kunnen indrukken. De functie, de zin van het hele spel, wordt door ons brein aan het plastic object toegevoegd. De vraag is maar: hoe?

Wat Kant nu doet, is dit hele ken-apparaat, het samengaan van waarneming én bewerking ervan door het brein, analyseren en beschrijven – bijna alsof het een computer zou wezen. Schopenhauer (1788-1860) stelde al vast dat het kenvermogen voor Kant a.h.w. als “camera obscura dient om de wereld erin op te vangen”[1]. Computers bestonden nog niet, maar Schopenhauer bedoelt dat het apparaat, dat de verschijnselen opvangt en bewerkt, bij Kant iets van een machine heeft, iets van een camera obscura. Wij zouden zeggen: een computer en het internet.

Een eerste bewerking ondergaan de fenomenen doordat we ze structureren in tijd en ruimte.  We kunnen niet anders: we kunnen de ruimte niet aftrekken van een fenomeen, of het zien zonder dat het zich in een ruimte bevindt. Hetzelfde geldt voor de tijd en voor een aantal verstandscategorieën die ons helpen die wereld te ordenen. Zo’n verstandscategorie ist bijvoorbeeld substantie. We ordenen de fenomenen voortdurend naar wat substantieel en naar wat bijkomstig is. We kunnen bijkomstigheden weglaten en bijvoorbeeld twee fenomenen met dezelfde substantie ervan ontdoen, en dan onder dezelfde noemer brengen – om de onmeetbaarheid van de wereld overzichtelijk en bewerkelijk te houden.

 

Ik zou zeggen dat het beeld van die computer als volgt kan werken – waarbij ik moet toegeven dat de filosofie veel eenvoudiger is en ik me van het computer-aandeel veel minder zeker voel. Maar ik probeer het:

Die fenomenen, dat is het internet, de informaties die daaruit ontvangen worden en die, als ik het goed heb, eigenlijk kleine stroompjes zijn. De computer nu – het kenvermogen – bewerkt die pulsen en maakt ze bruikbaar. Het ist door die computer dat we bijvoorbeeld kunnen selecteren – en kunnen zien wat er te selecteren valt. De ruimte is het scherm. Dat structureert informatie extern-visueel, zo kunnen we kennis nemen van de internetverschijnselen überhaupt. De categorieën bevinden zich in de software, die de elektrische stromen omzet naar hanteerbare structuren, naar talen die we kunnen verstaan en waarmee we kunnen werken. Ik aarzel om de elektrische stroom waarop de computer draait te vergelijken met de tijd in het denken. Maar het staat vast, dat we alles denken in een zg. Tijdscontinuum dat we evenmin als die ruimte van de werkelijkheid kunnen aftrekken. Ons brein is zo gemaakt, dat we niet buiten dat continuum kunnen. 

Zo functioneert het, maar daarmee is het bij Kant vanzelfsprekend nog niet gedaan. Als we weten wat we kunnen weten, dan komen immers nog die andere vragen – in Kants formulering: “Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen?”

Daarmee ga ik – om af te sluiten – terug naar het begin, naar die oproep van Jacques Derrida en Jürgen Habermas bij het begin van de Irak-oorlog. Er was toen sprake van een Kantiaans wereldbeeld in Europa versus een Hobbesiaans in de VS.

Thomas Hobbes (1588-1679) ontwikkelde het beeld van de overheid als Leviathan, uitgaande van de angst die de mensen voor elkaar moeten hebben. Omdat we voor elkaar niet veilig zijn, hebben we een overheid nodig die de wet stelt – als garant voor veiligheid. We moeten allemaal wat vrijheid inleveren tegenover die wetten-steller, maar het voordeel ist, dat we geruster kunnen zijn. De overheid kan bij Hobbes handelen zonder door een vooraf bestaande wettelijkheid gebonden te zijn: de wet komt tot stand in het feitelijke optreden van die overheid – dat is precies wat die ene Amerikaan wou demonstreren met Irak.

Bij Kant daarentegen komt de wet tot stand, niet door een optreden van de overheid, maar door de Kritiek – die hij beschrijft als het gerechtshof van de rede. Daarmee bedoelt hij de zuivere Rede, de publieke opinie, de wetenschap… En aan welke kritiek ook de overheid gebonden moet zijn. Niet die overheid poneert het recht, maar de Kritiek, de redelijk met elkaar omgaande gemeenschap.

 

[1] Arthur Schopenhauer: Kritik der Kantischen Philosophie. In: Die Welt als Wille und Vorstellung I,2, p. 646. Zürich 1977.