[HOB 1.1]

Oktober 2016. Lucas Mariën.

 

 

Ilion, het brandende Ilion, het heilige Troje.

Purper.

De oorlog om de mooiste vrouw ter wereld.

 

Volgens Onderdelinden was zij dat nu. Je kon veel slechts over hem zeggen, maar niet dat hij dom was. ‘En het zal nog minstens vijfhonderd jaar duren voor jij geëvenaard wordt, als het er geen duizend zijn.’ Misschien geloofde ze hem wel – nouja, niet echt natuurlijk. Moest ze dan de naam Helena aannemen?

 

Purper? Nee – rood!

 

Oranje!

 

Gloeiend als een smeulen onder as, een lavastroom die dalwaarts kruipt – Sofia droogde haar haren voor de spiegel. Henna – de kleur beviel haar. Een Grieks eiland – de rozenvingerige dageraad – ik oogst vuur.

Ze zette de haardroger af en luisterde, een ogenblik onbeweeglijk voor de spiegel. Begon dan mechanisch de borstel schoon te maken. Het was de papegaai van Maria Rosseels maar, die ze gehoord had. De bel!

 

Sofia legde de droger op het porseleinen plankje boven de wastafel en liet een pluk haar in de pedaalemmer vallen. Haar klompen klepperden op de trap als een compagnie huzaren.

De vooraanstaande christen-democrate Maria Rosseels stond beneden al op haar te wachten. Uit een linnen boodschappentas stak een bos prei waarvan het groen half afgesneden was. Haar permanent stond ondanks de gebruikte haarlak gedeeltelijk overeind van de wind en de emotie.

‘Ik heb het maar in ontvangst genomen,’ riep ze Sofia al tegemoet toen die nog op de laatste trap was. Ik moet zeggen dat ik niet anders durfde: het was een motorrijder in zwart leer, met een helm die zijn gezicht helemaal onzichtbaar maakte. Ik kwam net thuis.’

Een bruine enveloppe, aan Onderdelinden geadresseerd. ‘Geadresseerd’ was te sterk uitgedrukt. Zijn naam stond erop, met rode balpen geschreven.

‘Ik wou je nog eens vragen… Of we toch geen bewakingscamera zouden laten installeren?’

‘Ik kan daar niet alleen over beslissen. Je weet hoe moeilijk Onderdelinden is: geen telefoon, internet, bankrekening, niets elektronisch. En een duivenhok op het dak met het oogmerk postduiven te kweken.’

‘Ben je zeker dat hij geen terrorist is?’

Sofia haalde de schouders op.

‘Denk je dat hij nog terugkomt, Onderdelinden?’ bezorgdheid en misschien meer nog: ongeloof – spraken uit de hele houding van Maria Rosseels.

‘Ik heb je toch verteld dat hij in het buitenland is om een monument op te richten voor de Hoopvolle Partizaan.

‘Ja maar, dat was in een Arabisch emiraat, dat heb je ook gezegd. Als hij nog geen terrorist wàs…’

 

Een couvert, DIN A4-formaat, bruin papier, geen afzender. Ze was eraan gewoon documenten te ontvangen. Voor haar werk. Van de televisie, van bibliotheken – maar die hadden allemaal enveloppen met briefhoofden. En hier stond zijn naam op. Ze durfde er iets op te verwedden dat het  handschrift dat van Coralie Coloratuur was, Onderdelindens halfzuster – het was te gewaagd dat uit die enkele letters op te maken – drukletters dan nog. Hoewel – ál wat Coralie schreef was in rode drukletters. Ze had ooit honderdvierenveertig rode balpennen gewonnen bij een verkiezing van Miss Bio-Melkproducten en ze vond dat ze pas weer met een ander soort pen kon schrijven als dat gros opgebruikt was.

In gedachten verzonken ging Sofia de trap weer op. Voor de kamer van Onderdelinden hield ze een ogenblik in – maar vertikte het. Met de spits van haar rechter wijsvinger scheurde ze de brief open. Aangezien hij al vijf weken en drie dagen weg was. Zes, acht bundeltjes.

 

Met knie en enkel trok ze de deur achter zich dicht, nestelde zich in de hoek van de sofa, benen onder zich gevouwen, en begon te lezen. Niet dat ze verwachtte dat haar schrijfblokkade daardoor opgeheven zou worden – ze was gewoon nieuwsgierig.