Lucas Mariën. Juni 2026.
Fragmentarisch (1). Met een opmerking voor een jonge kunstenaar.
1
Een viool van een miljoen lijkt op niets zo sterk als op een viool van duizend euro. En dan heb je er nog van tienduizend of honderdduizend daartussen. Veel mensen zien geen verschil. Er zijn er maar weinig die het wel zien, en nog minder die het prijsverschil begrijpen of kunnen beargumenteren.
‘Ja maar,’ zegt nu de (in het N-b Deel) bekende schrijfster Stientje A., ‘in deze viool hier plakt een etiket van Stradivari. Ik weet dat er in bijna alle slechte violen zo’n etiket zit, deze moet dus de goedkope zijn.’
In de Katholieke Hogeschool voor Vrouwen, waar Stientje de cursus Algemene Ontwikkeling gevolgd heeft om later te kunnen meepraten met intellectueel-echtgenoot Herman, hebben ze verzuimd haar bij te brengen dat échte Stradivari-instrumenten doorgaans ook zo’n etiket dragen.
2
Het enige wat Stientje zou kunnen helpen om Herman bij te staan bij het kiezen van zijn instrumenten is kennerschap. In het milieu wordt meestal van expertise gesproken. Jarenlange ervaring is daarvoor nodig, kennis van klankkleuren en draagvermogen, van houtsoorten en -kwaliteiten, van arbeidstechnieken, historische contexten en daarenboven een zekere aanleg – je kunt het misschien maar tot op zekere hoogte echt leren.
Kunsthandelaars betalen experts van naam veel geld voor het leveren van certificaten. Een anoniem schilderij uit de zeventiende eeuw krijgt plotseling meer (financiële) waarde als het door zo’n expert aan Jan Breughel wordt toegeschreven.
Het gaat in dergelijke gevallen om geld, bij die violen dus om een verschil van negenhonderdnegenennegentigduizend euro.
Het verschil tussen een literaire tekst en gewoon gezwets is vaak nog moeilijker te onderkennen. Literatuur is een complexere wereld met meer parameters. Maar die jarenlange studie… Expertise verwerven is moeilijk, zeggen de literatuurwetenschappers van de universiteit van Antwerpen, daaruit kunnen we afleiden dat we dat niet nodig hebben. Gelukkig leven we in een land dat geen literaire cultuur heeft. Omdat er bovendien geen geld mee gemoeid is zal er wel niemand over struikelen als we maar wat uit onze nek kletsen. Socialisten zijn we ook en dat tikkeltje aanleg hebben we ook niet. We gaan zeggen dat Hugo Claus de Nobelprijs voor literatuur moet krijgen.
3
In een brief aan Rob Delvigne van 31 oktober 1992 die vorige maand geveild is[1], schrijft Willem Frederik Hermans:
“Ik heb gehoord dat Hugo Claus erg verdrietig was, omdat hij deze keer alweer de Nobelprijs niet heeft gekregen. Het wordt langzamerhand wel pijnlijk: Nederland als enige Beschaafde natie zonder Nobelprijs letteren. Als een Nederlandstalig auteur hem uiteindelijk toch eens krijgt, kan hij bij zichzelf zeggen: Nou ja, het is eerder een belediging, ik krijg hem uit medelijden, of omdat het langzamerhand wel moet.”
Daaraan zou je kunnen toevoegen dat er de jongste jaren al veel Nobelprijzen werden toegekend om andere dan literaire redenen, aan achtergestelde groepen: vrouwen, niet-blanken…
Literair prestige heeft die prijs al lang niet meer. De CIA zorgde ervoor dat hij werd toegekend aan Boris Pasternak en probeerde te verhinderen dat Pablo Neruda hem kreeg. Dat is politiek. Het is echt een prijs voor de post-literatuur geworden. De belangrijkste dichters hebben hem trouwens niet gekregen: Rilke niet, Kafka niet. En Willem Frederik Hermans ook niet.
4
In het citaat zegt Hermans niet uitdrukkelijk dat het Hugo Claus is, die ten hoogste uit medelijden gelauwerd zou kunnen worden. Hij laat het doorschemeren.
Interviewers uit het N-B Deel vroegen hem wel eens wat hij dacht van Claus. Daarop reageerde hij gewoonlijk met omstandige lofprijzingen voor andere dingen dan literaire. Dat Claus zo’n vriendelijk man was, aardig, sympathiek. Maar hij zegde dan niets over diens literaire portee. In vroege interviews in ‘Scheppend Nihilisme’ is hij soms explicieter – er is een register in dat boek.
Duidelijker werd hij ook in een Dinky Toy met als titel: Vlaanderens snelste imitator. (Volledig Werk 11/ 832.) Ook daar noemt hij Claus’ naam niet, maar het is niet mogelijk eraan te twijfelen wie hij bedoelt. In dat aforisme verwijt hij de imitator in de eerste plaats dat die een imitator is, een epigoon.
De opsomming is niet volledig.
Het was een niet zo comfortabele situatie voor Hermans: zijn vriend Freddy de Vree was de beste vriend van Claus.
Anderzijds bepaalde een schrijver die zo werd opgehemeld natuurlijk sterk het beeld van de hele Nederlandse literatuur. En als dat belachelijk was had ook zijn, Hermans’ reputatie daaronder te lijden.
In een in het N-b Deel geheim gehouden uitzending van het indertijd beroemde ‘literaire kwartet’ op het tweede Duitse televisienet ZDF, waarin een boek van Hugo Claus besproken werd, verduidelijkt panellid Klüger de situatie ‘Vlaanderen-Claus’ op de volgende manier: ‘Als Ludwig Harig de Shakespeare van het Saarland is, dan zegt dat zowel iets over het Saarland als over Ludwig Harig.’
5
Het was de uitzending van het literarische Quartett van 16 augustus 1996. De woordvoerder en het gezicht van dat panel, van dat kwartet, was Marcel Reich-Ranicki, een indertijd wereldberoemde literatuurcriticus. De populariteit van de uitzendingen was grotendeels aan hem te danken, hij was een figuur. Pittoresk, taalvaardig, verrassend, humoristisch, briljant vaak…
Reich-Ranicki begon er mee dat hij eigenlijk niet begreep hoe Claus in die uitzending beland was: ‘als hij geen Vlaamse schrijver was, zouden we hier, geloof ik, niet over hem praten.’ En ‘er wordt over die man een ongelooflijke reclame verbreid.’ Bovendien is hij, zegt Reich-Ranicki,‘kandidaat voor de Nobelprijs… Er wordt gezegd dat hij de belangrijkste Vlaamse schrijver is.’
Panellid Sigrid Löffler: [onderbreekt hem] ‘Misschien is hij dat wel…’
Reich-Ranicki: ‘Ja, misschien, maar dan is dat een erbarmelijke literatuur (eine erbärmliche Literatur) waarmee we ons niet zouden moeten bezighouden. Daar hebben we geen tijd voor.’
6
In een artikel over Vlaamse ‘intellectuelen’ en hun charlatan op deze webstek heeft Coralie Coloratuur nog meer buitenlandse reacties op het werk van Claus besproken. Ze heeft het daar ook even over de minachting die Gerard Walschap voor hem had. Maar ze kende nog niet de brief van Walschap aan Hubert Lampo die hier te vinden is: janlampo.com/2012/11/23/literatuur-walschap-aan-lampo-over-claus-1956/
Walschap hield er dezelfde mening op na als Hermans en Reich-Ranicki.
Er was, kortom, niemand met een relevante mening die in Claus iets zag.
7
Zou je toch verwachten dat dat vroeg of laat eens gereflecteerd wordt. Dat die zogenaamde experts zich beginnen afvragen of ze die kritische opmerkingen niet eens onder de loep zouden moeten nemen. Dat er iets als een debat op gang zou komen. In het buitenland dienen universiteiten daar trouwens voor. Om de waarheid nader te komen door standpunten met elkaar te vergelijken en wat obsoleet is te laten vallen.
Precies dát is kritiek, niet die van Thomas van Aquino maar die van Kant. Geen attribuut, maar definitie, een vereiste voor wetenschap. Ze imiteren een universiteit, daar in Antwerpen, maar ze zijn niet meer dan een soort Katholieke Hogeschool voor Vrouwen. Voor socialisten dan, en logebroeders en vrijzinnigen in het algemeen. Met hun romantisch kritiekbegrip zijn de Antwerpse academici katholiek zonder dat ze dat zelf beseffen.
Of ze zich niet de hele tijd vergist hadden en Claus, zoals Coralie Coloratuur stelde, gewoon een charlatan was en zijzelf, nouja, ‘intellectuelen’. ‘Vlaamse’ wel – dat verzweeg Coralie volstrekt niet. Ze zouden het even erg vinden dat de waarheid bekend werd dan dat ze zelf de weg naar het licht moesten gaan. Bovendien, als ze zo zouden reageren, als ze ruimte zouden laten voor twijfel, dan zouden ze een nieuw denkproces op gang brengen. Dat betekent: overuren waarvoor een socialist betaald wil worden. Tenslotte is zo’n denken niet alleen vermoeiend, maar ook gevaarlijk, tenminste voor vastgeroeste breinen.
Kritisch denken als waarvoor Walschap opkwam, ‘kritiek moet gericht houden’, gaat hun niet goed af. De revolutie die hij ontketende zegt hun niets, dat is allemaal veels te moeilijk voor ze. Niet twijfelen, stoer volhouden is de boodschap.
Ongeletterd als ze zijn, beseffen ze overigens niet wat de draagwijdte van Walschaps denken is. Op de eerste mei met een vaan in de optocht lopen, de Internationale zingen en daarna friet met mosselen, dat is al revolutionair genoeg.
Kortom, ze vegen de mening van andersdenkenden stilletjes onder het tapijt.
Ingegroeid charlatanisme. In verband met Claus houden ze vast aan een parallelle realiteit. Ze fingeren een literatuur die niet bestaat, die alleen een alibifunctie heeft, namelijk te verdoezelen dat er geen is.
8
Jaar na jaar nomineerden ze Hugo Claus voor de Nobelprijs, niet uit booswilligheid of om ‘Vlaanderen’ bewust belachelijk te maken, nee. Maar met de rustige zekerheid van het onwankelbare gelijk van de domoren bij wie de mogelijkheid van een ánder gelijk gewoon niet opkomt.
In de media begon dat al in september: zal Claus hem dit jaar krijgen? Misschien wel! Het hele Deel zou zo gelukkig geweest zijn. Elk jaar opnieuw die voorvreugde, een feestvreugde, intenser als met Kerstmis en de Onnozele Kinderen samen. Maar het bereiken of verkrijgen van het verlangde, staat gelijk met het afnemen van de interesse ervoor. Het geluk met het bereikte is maar van korte duur. Als de Zweden die prijs uit medelijden aan Hugo zouden toekennen, dan zouden ze een einde maken aan die jaarlijkse blijde verwachting. Dat was een dilemma voor ze. Enerzijds mochten ze die prijs niet geven om de vreugde te laten voortduren. Anderzijds moesten ze die op den duur wel eens aan een Nederlander toekennen, uit medelijden, zoals Hermans meende. En dan wel aan een vertegenwoordiger van het meelijwekkendste deel van Nederland, dat is logisch.
Eeuwige vreugde, blijvende voorvreugde in plaats van kortzichtige vervulling. Het was uit humanitaire overwegingen dat de Zweden die prijs niét toekenden.
Daar had Hermans in die brief zeker niet aan gedacht.
9
Die schande, stel je voor dat heel de wereld begonnen was zich in dat prutswerk te verdiepen. Maar de experts van Antwerpen hadden er het volste vertrouwen in dat hun mening niet alleen op prijs werd gesteld, maar dat ze ook op de Molukken en in Kamsjatka gedeeld zou worden. En dat de normale N-b Deler zelfs in Timboektoe niet meer anders dan met een rood hoofd op straat kon komen omdat iedereen nu wist wat voor vlees ze met hem in de kuip hadden.
Intussen nomineerde het beschaafde, het Bevrijde Deel van Nederland vanzelfsprekend Willem Frederik Hermans voor die prijs.
Het zegt alles over de cultuur in het N-b Deel, dat ze dat niet gesteund hebben en in de plaats daarvan die hansworst maar naar voren bleven schuiven. Maar dus in de grootste onschuld, terwijl ze er écht in geloofden! Wellicht is de literatuur van zelfs maar het halve Saarland echt belangrijker dan die van het Clausland.
Die schande ter sprake brengen dat ze Hermans niet gesteund hebben – de Betere Lezer vraagt zich misschien af of wij onverschillig staan, of wij dat Zweedse medelijden dan helemaal niet kennen. Toch wel, Betere Lezer, en daarom hebben we afgewacht tot dat wereldkampioenschap voetbal om dit opstel te publiceren. Alle charlatanologen van Antwerpen zitten nu naar dat voetballen te kijken, hun geluk wordt niet verstoord.
10
Freddy de Vree had Hermans tenslotte weten te overtuigen om mee te gaan naar de première van Claus’ nieuwe toneelstuk, ‘Yessica’ , in Brussel.
Na de voorstelling stonden de sympathisanten in de foyer te wachten tot de auteur uit de ingewanden van het theater te voorschijn zou treden. Het waren die lieden die, telkens als het genie een wind produceerde, vroom en dankbaar snuivend lieten verluiden dat de lente in de lucht zat, groupies van beiderlei kunne. Ze waren onder elkaar. Het gewone publiek was vertrokken, niemand van de aanwezigen zou het in zijn hoofd krijgen iets negatiefs of kritisch te berde te brengen.
Maar Willem Frederik Hermans dan? Wat zou die doen? Want die stond daar dus ook. Bij al die blij-opgewonden N-b Delers die wel wisten dat Hermans geen onverdeelde bewonderaar van Claus was.
En daar kwam hij dan, de dichter! Frenetieke bijval. Hoerageroep. Van iedereen. Hier en daar viel er waarschijnlijk een juffrouw flauw, ik was er niet bij, ik heb het maar van horen vertellen. Bijval van iedereen, behalve van één man.
Het was duidelijk dat Willem Frederik Hermans daar niet op zijn plaats was. Hij stemde niét in met het gejuich, stond daar maar ongemakkelijk te wezen.
Dat was hét onderwerp van gesprek en telefoonverkeer de volgende dagen. En er ontwikkelde zich een sprachregelung, een ‘wording’ die erop berustte dat Hermans jaloers was. Hij was immers een ‘stijve Hollander’ en jaloers op de rondborstige, barokke, levensgenietende, Bourgondische, N-b Deelse toekomstige Nobelprijswinnaar.
Hoe minder mensen met een eigen oordeel er zich in een bepaald gezelschap bevinden, hoe gemakkelijker er een sprachregelung tot stand komt. Hoe meer papegaai, hoe liever herhalen. Hoe sterker de overtuiging ook dat in de herhaling de waarheid woont. Ik heb dit verhaal uit verschillende bronnen.
Het idee dat Hermans zich gewoon gecompromitteerd voelde in zo’n situatie kwam vanzelfsprekend niet bij ze op.
Geen van die intellectuele krachtpatsers zou het overigens in het Saarland tot literatuurprofessor kunnen brengen.
11
Een opmerking aan het adres van een jonge kunstenaar die pas iets opmerkelijks gerealiseerd heeft, maar die zijn eigen prestatie kleineert.
De erbärmliche Literatur waarmee we ons niet bezig zouden moeten houden deelt in dit land de lakens uit. Er is haast niemand wiens oordeel gewicht heeft, of zelfs maar steek houdt. Kennerschap inzake literatuur is er nog zeldzamer dan expertise in strijkinstrumenten. Alles wat die klunzen voortbrengen is ballast, schadelijk niet-weten, verkeerd ‘weten’.
Je bent besmet met spokerij en bijgeloof. Dat vermoedde je als kind al wel, maar wat kon je doen? Zelfbewustzijn ontwikkelen, maar alléén als je was… Veiligheidshalve…
Voor het geval dat er toch een voetballiefhebber bij zou wezen die niet de hele tijd vastplakt aan het TV-scherm, maar die een tocht naar kelder of voorraadkamer aanvat om de nodige voorraden aan te vullen voor bij het TV-kijken, en die in het voorbijgaan, allicht in de hoop dat álle schermen intussen voetbal vertonen, toch even een blik riskeert op het computerscherm en deze tekst ziet staan, – de tekst die u op dit ogenblik leest, geachte Betere Lezer – kunnen we in dat geval zo iemands mens- en wereldbeeld aan het wankelen brengen?
Heb ik deze periode geschreven?
Baudelaire uitte zijn bewondering voor de handwerker in Brussel die doodkisten maakte voor ‘des cadavres flamands’, maar geen begrip had voor hun functie: ’zulke mooie kisten voor zulke weerzinwekkende krengen’.
Het codewoord voor het einde van dit stuk kan hier worden aangevraagd: oma.eurykleia@hetparadigma.eu
[1] Bubb Kuyper, veiling 84, mei 2026.