HOB De geest uit de fles.

Uit: Nederland 3. Vervalsing van de wereld.

Oktober 2026.

 

Kannunnik Van den Gheyn ‘heeft het 
bij herhaling over “chantage”.
Karel Mortier.

 

In de versie van de bisschop wordt de zaak Rechtvaardige Rechters gereduceerd tot een geldkwestie. Ze wordt gebanaliseerd. Daarom moest Arsène Goedertier afgeschilderd worden als bankroetier, als een gewone dief. De ‘justitie’ hielp het bisdom daarbij door hem failliet te verklaren. Zo werd verder onderzoek overbodig en bleef dat potje gedekt. En dat alles om te kunnen beweren dat de hele affaire Rechtvaardige Rechters een gewone diefstal was, opgezet door een criminele financier die zich in de nesten gewerkt had en dat het alleen maar om geld ging.

Dat deze lezing niet opgaat blijkt uit een verspreking van kanunnik Van den Gheyn waarmee de zaak voor de deksel-op-de-doofpot-houders enigszins ongelukkig begon. Hij was het die de geest uit de fles liet.

 

Het politieke en symbolische aspect van de zaak werd weggemoffeld. Geen chantage, maar gewoon geldzucht, daar ging het om. Geen mythische gebeurtenis, maar een banaal ‘fait divers’. Dat werd de officiële boodschap. We kunnen stap voor stap volgen hoe dat narratief ontwikkeld wordt.

 

  • Eerste stap: 12 april, de dag waarop de diefstal ontdekt wordt. Nadat Van den Gheyn en koster Van Volsem vernomen hebben wat er gebeurd is, is de kanunnik ‘zo sterk geëmotioneerd dat de koster hem met beide handen moest vasthouden’ en dat ‘de trillende kanunnik herhaaldelijk vertwijfeld uitroept: ‘Mon Agneau! Mon Agneau!’, wat in het Nederlands wil zeggen: Mijn Lam! Mijn Lam! Die trillende vertwijfeling blijft in beide talen hetzelfde.
  • Tweede stap. Van den Gheyn, de conservator, uitlegger, museumdirecteur van het Lam Gods, was direct na de diefstal een gevraagde commentator: ’Uitvoerig staat hij de journalisten te woord’, schrijft commissaris Mortier. En zo citeert La Flandre Libérale op 13 april zijn uitspraak: ‘Ik zou haast geloven dat het om chantage gaat.’ Mortier: ‘Hij heeft het dan bij herhaling over “chantage”.’ [1]

 

De kanunnik maakte daardoor van de diefstal een ideële gebeurtenis, hij tilde ze op een symbolisch niveau. Dat is een ietwat ondoordachte reactie, het is hem ontsnapt, maar vanaf het moment dat ze de zaak een beetje nuchter onder ogen hebben kunnen zien, wordt er van die chantage nooit meer een woord gerept.

Nooit meer, in het officiële verhaal.

 

‘Chantage’ is volgens Van Dales woordenboek: ‘het onwettig afdwingen van iets door bedreiging met openbaarmaking van ware of verzonnen feiten die de goede naam schade kunnen doen’. Mensen tegen wie het gebruikt kan worden heten ‘chantabel’? Dat is (Van Dale): ‘gechanteerd kunnende worden’.

 

Bedreiging met openbaarmaking? Van wat dan wel? En vooral: wie? Als je begint de Ensor-maskers af te rukken, komt er dan iemand tevoorschijn die per se mooier is dan het mombakkes? Is het op zich al niet verraderlijk dat de maskers er überhaupt zijn. Die chantage van Van den Gheyns allereerste reactie, dat is de geest die ze terug in de fles zullen moeten zien te krijgen. Maar vanaf de dag dat dat citaat in de krant verschijnt, wordt dat woord niet meer gebruikt, en er worden geen vragen over gesteld. Er bestond geen kritische pers, toen nog minder dan nu.

 

  • Derde stap: de operatie afzwakking.

Na de publicatie in La Flandre Libérale begint Van den Gheyn een interview-offensief, stelt Karel Mortier vast. ‘Vanaf 14 april verklaart hij aan de kranten dat het om een wraakneming zou gaan…’  En de commissaris vraagt zich af waarom niemand heeft dóórgevraagd: ‘Een wraakneming slaat toch op iemand én op iets.’  [2] Mortier stelt de verschuiving vast zonder die te benoemen.

Nu ik ‘mijn koelbloedigheid herwonnen heb’, zei de kanunnik, ‘meen ik dat het kan gaan om een wraakneming’.[3] Deze uitspraak behelst een impliciete erkenning dat er ten gevolge van die verloren koelbloedigheid iets fout is gelopen. Maar wat dan wel? Waarop slaat dat zich-distantiëren, wat is het antecedent waarop gealludeerd wordt, het woord dat – nu de koelbloedigheid hersteld is – vermeden wordt? Er wordt een ander woord voor in de plaats gezet, namelijk wraakneming.

 

Dat is de eigenlijke tournure, want het gaat om verschillende begrippen, en om de verdoezeling van het ene ten voordele van het andere.

 

De gedachte alleen al dat het bisdom… chantabel zou wezen?

Hoe schreef Mortier? ‘Hij heeft het dan bij herhaling over “chantage”.’  Maar dat kunnen we maar beter vergeten, dat was gewoon een lapsus, dat eerste ogenblik.

 

Het slachtoffer van een wraakneming te zijn, dat is veel onschuldiger dan van chantage. De herwonnen koelbloedigheid impliceert dat er een vroegere  toestand bestaan heeft van ondoordacht spreken, dat er een verspreking heeft plaatsgevonden. Maar nu zet  ik de puntjes op de i, suggereert de kanunnik, mijn eerdere uitspraak laat ik vallen en ik poneer nu die wraakneming in de plaats, als tussenstadium tussen het nu ‘vergeten’ chantage en een gewone diefstal.

 

  • Vierde stap: zelfs het begrip wraakneming lozen en de affaire Rechtvaardige Rechters reduceren tot een ongevaarlijke, banale diefstal. De these van de art-napping, het kunstwerk dat als gijzelaar gebruikt wordt om losgeld af te persen. Alles wordt toegespitst op dat miljoen. Goedertier wordt voorgesteld als bankier in moeilijkheden. Hoe sterker de demonisering van de voormalige koster, hoe geloofwaardiger de tournure.

Remi Claus publiceert in het voorjaar van 1935, enkele weken  na de dood van Goedertier, een brochure over hem: ‘Een tragisch-komische geschiedenis. Arseen Goedertier de man van Wetteren en het “Lam Gods”’. Claus, journalist, uitgever van een dorpskrant in Laarne, in de omgeving van Gent, ‘volksschrijver’. In Laarne kon je die dingen alleen maar zijn als pennenstok van de clerus. Om een idee te geven van de geestelijke knevelarij in die tijd volstaat het om even te grasduinen in de brieven van Gerard Walschap uit die jaren. Walschap wiens vervolging juist dan begint. Omdat hij het waagde geestelijke vrijheid op te eisen en te praktiseren en hij de totalitaire laatfeodale knevels brak.

Claus’ brochure druipt van de kruiperigheid om de clerus te behagen en van nauwelijks gecamoufleerde nijd op Goedertier. Claus is in hoge mate rancuneus tegenover de rijke financier die niet alleen in dure kleren en met een ‘lederen aktetas’ rondliep, maar die zelfs een auto had en een portefeuille vol bankbiljetten.

De brochure kwam van pas om de aandacht af te leiden van de symbolische kant van de zaak. Arsène Goedertier, die hoe dan ook een steunpilaar was van het systeem was geweest, wordt opgeofferd om het bisdom uit de vuurlijn te halen.

 

Terug naar de ongefilterde chantage. Wat was het, dat er aan het licht kon komen? Waarmee de bisschop chantabel was?

De bisschop zal blijven herhalen dat hij de zaak onderhands zou hebben opgelost als de overheid hem had laten begaan. De bisschoppelijke materialistische versie doet nog altijd opgeld.

 

[Het vervolg van dit hoofdstuk staat in Nederland 3, dat binnen niet onafzienbare tijd zal verschijnen.]

 

 

[1]  Karel Mortier, De verdwenen rechters. P. 31 en 32.

[2]  Mortier, o.c. 32.

[3]  Mortier, t.a.p.

Geadopteerde apoftegmata (2)

 

 

 

Oktober 2026.

 

Het zal zo wel zijn: het zijn de vragen

waaruit ontstaat wat blijft.

Denk maar aan de vraag van dat kind:

“Wat doet de wind als hij niet waait?”

                                                        Erich Kästner, Epigramme.

 

Juni 2026.

‘De beste koopman is de oorlog, hij maakt uit ijzer goud.’ Friedrich Schiller.

 

Zomer 2022.

We hebben terechte kritiek gekregen dat niet al onze geadopteerde apoftegmata échte apoftegmata zijn.

Maar dit is er wél een, afkomstig van een vrouw op een betoging tegen de levensduurte in Plauen, in Duitsland. Ze zei:

“Aan het einde van het geld blijft er altijd nog veel maand over.”

 

15 januar 2023.

Treffende, briljante, bewonderenswaardige uitspraken zelfs, zijn niet altijd apoftegmata. Ik kom even terug op een claus van de filosoof Slavoj Žižek, waarnaar ik eerder al verwezen had:

“…stelde T.S. Elliot vast dat er ogenblikken zijn waarop men alleen maar de keuze heeft tussen sektarisme en ongeloof, en waarin een religie slechts in leven kan worden gehouden door een sectaire afsplitsing van het eigenlijke lichaam. Daarin bestaat vandaag onze enige kans. Alleen door een “sectaire afsplitsing” van het overgeleverde Europese erfgoed, alleen doordat we ons afscheuren van het zich in staat van ontbinding bevindende corpus, kunnen we de Europese erfenis levendig houden. Het is geen gemakkelijke opgave, en ze dwingt ons tot een riskante sprong in het ongewisse, maar het enige alternatief is het sluipende verval, het geleidelijk afglijden van Europa in wat Griekenland voor het hoog-ontwikkelde Romeinse rijk was: een reisdoel voor nostalgische cultuurtoeristen, zonder werkelijk belang.”

 

Behartenswaardig, om over na te denken enzovoort – maar geen apoftegma. Dat betekent dat deze uitspraak van de filosoof geen literatuur is maar slechts filosofie.

Peter Hacks schrijft over de opkomende romantiek en de positie van Goethe daartegenover. Citaat Hacks:

“Wie niets te zeggen had, zegde het romantisch; Goethe, die iets te zeggen hád, zweeg.”

 

 

Toevoegsel bij `Fragmentarisch (1)’

Toevoegsel bij ‘Fragmentarisch (1)‘, in de vorm van een apoftegma.

Lucas Mariën, 22 juli 2026.

 

Een vriendelijke Betere Lezer maakt er ons op attent dat we de titel van Claus’ toneelstuk ‘Yessica’ met Y geschreven hebben, waar Claus zelf ‘Jessica’ schrijft.

We hadden al geen overdreven hoge dunk van deze auteur, maar dat hij de titel van zijn eigen stukken niet kon schrijven –

 

Apophthegma: De kinderschoenen van de literatuur.

Geadopteerde apoftegmata. 

Eigen apoftegmata.

 

Beschermd: Fragmentarisch (1). Opmerking.

Deze inhoud is beschermd met een wachtwoord. Voer hieronder je wachtwoord in om het te bekijken:

Fragmentarisch (1)

Lucas Mariën. Juni 2026.

 

Fragmentarisch (1). Met een opmerking voor een jonge kunstenaar.

 

1

Een viool van een miljoen lijkt op niets zo sterk als op een viool van duizend euro. En dan heb je er nog van tienduizend of honderdduizend daartussen. Veel mensen zien geen verschil. Er zijn er maar weinig die het wel zien, en nog minder die het prijsverschil begrijpen of kunnen beargumenteren.

‘Ja maar,’ zegt nu de (in het N-b Deel) bekende schrijfster Stientje A., ‘in deze viool hier plakt een etiket van Stradivari. Ik weet dat er in bijna alle slechte violen zo’n etiket zit, deze moet dus de goedkope zijn.’

In de Katholieke Hogeschool voor Vrouwen, waar Stientje de cursus Algemene Ontwikkeling gevolgd heeft om later te kunnen meepraten met intellectueel-echtgenoot Herman, hebben ze verzuimd haar bij te brengen dat échte Stradivari-instrumenten doorgaans ook zo’n etiket dragen.

 

2

Het enige wat Stientje zou kunnen helpen om Herman bij te staan bij het kiezen van zijn instrumenten is kennerschap. In het milieu wordt meestal van expertise gesproken. Jarenlange ervaring is daarvoor nodig, kennis van klankkleuren en draagvermogen, van houtsoorten en -kwaliteiten, van arbeidstechnieken, historische contexten en daarenboven een zekere aanleg – je kunt het misschien maar tot op zekere hoogte echt leren.

Kunsthandelaars betalen experts van naam veel geld voor het leveren van certificaten. Een anoniem schilderij uit de zeventiende eeuw krijgt plotseling meer (financiële) waarde als het door zo’n expert aan Jan Breughel wordt toegeschreven.

Het gaat in dergelijke gevallen om geld, bij die violen dus om een verschil van negenhonderdnegenennegentigduizend euro.

Het verschil tussen een literaire tekst en gewoon gezwets is vaak nog moeilijker te onderkennen. Literatuur is een complexere wereld met meer parameters. Maar die jarenlange studie… Expertise verwerven is moeilijk, zeggen de literatuurwetenschappers van de universiteit van Antwerpen, daaruit kunnen we afleiden dat we dat niet nodig hebben. Gelukkig leven we in een land dat geen literaire cultuur heeft. Omdat er bovendien geen geld mee gemoeid is zal er wel niemand over struikelen als we maar wat uit onze nek kletsen. Socialisten zijn we ook en dat tikkeltje aanleg hebben we ook niet. We gaan zeggen dat Hugo Claus de Nobelprijs voor literatuur moet krijgen.

 

3

In een brief aan Rob Delvigne van 31 oktober 1992 die vorige maand geveild is[1], schrijft Willem Frederik Hermans:

“Ik heb gehoord dat Hugo Claus erg verdrietig was, omdat hij deze keer alweer de Nobelprijs niet heeft gekregen. Het wordt langzamerhand wel pijnlijk: Nederland als enige Beschaafde natie zonder Nobelprijs letteren. Als een Nederlandstalig auteur hem uiteindelijk toch eens krijgt, kan hij bij zichzelf zeggen: Nou ja, het is eerder een belediging, ik krijg hem uit medelijden, of omdat het langzamerhand wel moet.”

Daaraan zou je kunnen toevoegen dat er de jongste jaren al  veel Nobelprijzen werden toegekend om andere dan literaire redenen, aan achtergestelde groepen: vrouwen, niet-blanken…

Literair prestige heeft die prijs al lang niet meer. De CIA zorgde ervoor dat hij werd toegekend aan Boris Pasternak en probeerde te verhinderen dat Pablo Neruda hem kreeg. Dat is politiek. Het is echt een prijs voor de post-literatuur geworden. De belangrijkste dichters hebben hem trouwens niet gekregen: Rilke niet, Kafka niet. En Willem Frederik Hermans ook niet.

 

4

In het citaat zegt Hermans niet uitdrukkelijk dat het Hugo Claus is, die ten hoogste uit medelijden gelauwerd zou kunnen worden. Hij laat het doorschemeren.

Interviewers uit het N-B Deel vroegen hem wel eens wat hij dacht van Claus. Daarop reageerde hij gewoonlijk met omstandige lofprijzingen voor andere dingen dan literaire. Dat Claus zo’n vriendelijk man was, aardig, sympathiek. Maar hij zegde dan niets over diens literaire portee. In vroege interviews in ‘Scheppend Nihilisme’ is hij soms explicieter – er is een register in dat boek.

Duidelijker werd hij ook in een Dinky Toy met als titel: Vlaanderens snelste imitator. (Volledig Werk 11/ 832.) Ook daar noemt hij Claus’ naam niet, maar het is niet mogelijk eraan te twijfelen wie hij bedoelt. In dat aforisme verwijt hij de imitator in de eerste plaats dat die een imitator is, een epigoon.

De opsomming is niet volledig.

 

Het was een niet zo comfortabele situatie voor Hermans: zijn vriend Freddy de Vree was de beste vriend van Claus.

Anderzijds bepaalde een schrijver die zo werd opgehemeld natuurlijk sterk het beeld van de hele Nederlandse literatuur. En als dat belachelijk was had ook zijn, Hermans’ reputatie daaronder te lijden.

In een in het N-b Deel geheim gehouden uitzending van het indertijd beroemde ‘literaire kwartet’ op het tweede Duitse televisienet ZDF, waarin een boek van Hugo Claus besproken werd, verduidelijkt panellid Klüger de situatie ‘Vlaanderen-Claus’ op de volgende manier: ‘Als Ludwig Harig de Shakespeare van het Saarland is, dan zegt dat zowel iets over het Saarland als over Ludwig Harig.’

 

5

Het was de uitzending van het literarische Quartett van 16 augustus 1996. De woordvoerder en het gezicht van dat panel, van dat kwartet, was Marcel Reich-Ranicki, een indertijd wereldberoemde literatuurcriticus. De populariteit van de uitzendingen was grotendeels aan hem te danken, hij was een figuur. Pittoresk, taalvaardig, verrassend, humoristisch, briljant vaak…

Reich-Ranicki begon er mee dat hij eigenlijk niet begreep hoe Claus in die uitzending beland was: ‘als hij geen Vlaamse schrijver was, zouden we hier, geloof ik, niet over hem praten.’ En ‘er wordt over die man een ongelooflijke reclame verbreid.’ Bovendien is hij, zegt Reich-Ranicki,‘kandidaat voor de Nobelprijs… Er wordt gezegd dat hij de belangrijkste Vlaamse schrijver is.’

Panellid Sigrid Löffler: [onderbreekt hem] ‘Misschien is hij dat wel…’

Reich-Ranicki: ‘Ja, misschien, maar dan is dat een erbarmelijke literatuur (eine erbärmliche Literatur) waarmee we ons niet zouden moeten bezighouden. Daar hebben we geen tijd voor.’

 

6

In een artikel over Vlaamse ‘intellectuelen’ en hun charlatan op deze webstek heeft Coralie Coloratuur nog meer buitenlandse reacties op het werk van Claus besproken. Ze heeft het daar ook even over de minachting die Gerard Walschap voor hem had. Maar ze kende nog niet de brief van Walschap aan Hubert Lampo die hier te vinden is: janlampo.com/2012/11/23/literatuur-walschap-aan-lampo-over-claus-1956/

Walschap hield er dezelfde mening op na als Hermans en Reich-Ranicki.

Er was, kortom, niemand met een relevante mening die in Claus iets zag.

 

7

Zou je toch verwachten dat dat vroeg of laat eens gereflecteerd wordt. Dat die zogenaamde experts zich beginnen afvragen of ze die kritische opmerkingen niet eens onder de loep zouden moeten nemen. Dat er iets als een debat op gang zou komen. In het buitenland dienen universiteiten daar trouwens voor. Om de waarheid nader te komen door standpunten met elkaar te vergelijken en wat obsoleet is te laten vallen.

Precies dát is kritiek, niet die van Thomas van Aquino maar die van Kant. Geen attribuut, maar definitie, een vereiste voor wetenschap.  Ze imiteren een universiteit, daar in Antwerpen, maar ze zijn niet meer dan een soort Katholieke Hogeschool voor Vrouwen.  Voor socialisten dan, en logebroeders en vrijzinnigen in het algemeen. Met hun romantisch kritiekbegrip zijn de Antwerpse academici katholiek zonder dat ze dat zelf beseffen.

Of ze zich niet de hele tijd vergist hadden en Claus, zoals Coralie Coloratuur stelde, gewoon een charlatan was en zijzelf, nouja, ‘intellectuelen’. ‘Vlaamse’ wel – dat verzweeg Coralie volstrekt niet. Ze zouden het even erg vinden dat de waarheid bekend werd dan dat ze zelf de weg naar het licht moesten gaan. Bovendien, als ze zo zouden reageren, als ze ruimte zouden laten voor twijfel, dan zouden ze een nieuw denkproces op gang brengen. Dat betekent: overuren waarvoor een socialist betaald wil worden. Tenslotte is zo’n denken niet alleen vermoeiend, maar ook gevaarlijk, tenminste voor vastgeroeste breinen.

Kritisch denken als waarvoor Walschap opkwam, ‘kritiek moet gericht houden’, gaat hun niet goed af. De revolutie die hij ontketende zegt hun niets, dat is allemaal veels te moeilijk voor ze. Niet twijfelen, stoer volhouden is de boodschap.

Ongeletterd als ze zijn, beseffen ze overigens niet wat de draagwijdte van Walschaps denken is. Op de eerste mei met een vaan in de optocht lopen, de Internationale zingen en daarna friet met mosselen, dat is al revolutionair genoeg.

Kortom, ze vegen de mening van andersdenkenden stilletjes onder het tapijt.

 

Ingegroeid charlatanisme. In verband met Claus houden ze vast aan een parallelle realiteit. Ze fingeren een literatuur die niet bestaat, die alleen een alibifunctie heeft, namelijk te verdoezelen dat er geen is.

 

8

Jaar na jaar nomineerden ze Hugo Claus voor de Nobelprijs, niet uit booswilligheid of om ‘Vlaanderen’ bewust belachelijk te maken, nee. Maar met de rustige zekerheid van het onwankelbare gelijk van de domoren bij wie de mogelijkheid van een ánder gelijk gewoon niet opkomt.

In de media begon dat al in september: zal Claus hem dit jaar krijgen? Misschien wel! Het hele Deel zou zo gelukkig geweest zijn. Elk jaar opnieuw die voorvreugde, een feestvreugde, intenser als met Kerstmis en de Onnozele Kinderen samen. Maar het bereiken of verkrijgen van het verlangde, staat gelijk met het afnemen van de interesse ervoor. Het geluk met het bereikte is maar van korte duur. Als de Zweden die prijs uit medelijden aan Hugo zouden toekennen, dan zouden ze een einde maken aan die jaarlijkse blijde verwachting. Dat was een dilemma voor ze. Enerzijds mochten ze die prijs niet geven om de vreugde te laten voortduren. Anderzijds moesten ze die op den duur wel eens aan een Nederlander toekennen, uit medelijden, zoals Hermans meende. En dan wel aan een vertegenwoordiger van het meelijwekkendste deel van Nederland, dat is logisch.

 

Eeuwige vreugde, blijvende voorvreugde in plaats van kortzichtige vervulling. Het was uit humanitaire overwegingen dat de Zweden die prijs niét toekenden.

Daar had Hermans in die brief zeker niet aan gedacht.

 

9

Die schande, stel je voor dat heel de wereld begonnen was zich in dat prutswerk te verdiepen. Maar de experts van Antwerpen hadden er het volste vertrouwen in dat hun mening niet alleen op prijs werd gesteld, maar dat ze ook op de Molukken en in Kamsjatka gedeeld zou worden. En dat de normale N-b Deler zelfs in Timboektoe niet meer anders dan met een rood hoofd op straat kon komen omdat iedereen nu wist wat voor vlees ze met hem in de kuip hadden.

Intussen nomineerde het beschaafde, het Bevrijde Deel van Nederland vanzelfsprekend Willem Frederik Hermans voor die prijs.

Het zegt alles over de cultuur in het N-b Deel, dat ze dat niet gesteund hebben en in de plaats daarvan die hansworst maar naar voren bleven schuiven. Maar dus in de grootste onschuld, terwijl ze er écht in geloofden! Wellicht is de literatuur van zelfs maar het halve Saarland echt belangrijker dan die van het Clausland.

Die schande ter sprake brengen dat ze Hermans niet gesteund hebben – de Betere Lezer vraagt zich misschien af of wij onverschillig staan, of wij dat Zweedse medelijden dan helemaal niet kennen. Toch wel, Betere Lezer, en daarom hebben we afgewacht tot dat wereldkampioenschap voetbal om dit opstel te publiceren. Alle charlatanologen van Antwerpen zitten nu naar dat voetballen te kijken, hun geluk wordt niet verstoord.

 

10

Freddy de Vree had Hermans tenslotte weten te overtuigen om mee te gaan naar de première van Claus’ nieuwe toneelstuk, ‘Yessica’ , in Brussel.

Na de voorstelling stonden de sympathisanten in de foyer te wachten tot de auteur uit de ingewanden van het theater te voorschijn zou treden. Het waren die lieden die, telkens als het genie een wind produceerde, vroom en dankbaar snuivend lieten verluiden dat de lente in de lucht zat, groupies van beiderlei kunne. Ze waren onder elkaar. Het gewone publiek was vertrokken, niemand van de aanwezigen zou het in zijn hoofd krijgen iets negatiefs of kritisch te berde te brengen.

Maar Willem Frederik Hermans dan? Wat zou die doen? Want die stond daar dus ook. Bij al die blij-opgewonden N-b Delers die wel wisten dat Hermans geen onverdeelde bewonderaar van Claus was.

En daar kwam hij dan, de dichter! Frenetieke bijval. Hoerageroep. Van iedereen. Hier en daar viel er waarschijnlijk een juffrouw flauw, ik was er niet bij, ik heb het maar van horen vertellen. Bijval van iedereen, behalve van één man.

Het was duidelijk dat Willem Frederik Hermans daar niet op zijn plaats was. Hij stemde niét in met het gejuich, stond daar maar ongemakkelijk te wezen.

Dat was hét onderwerp van gesprek en telefoonverkeer de volgende dagen. En er ontwikkelde zich een sprachregelung, een ‘wording’ die erop berustte dat Hermans jaloers was. Hij was immers een ‘stijve Hollander’ en jaloers op de rondborstige, barokke, levensgenietende, Bourgondische, N-b Deelse toekomstige Nobelprijswinnaar.

Hoe minder mensen met een eigen oordeel er zich in een bepaald gezelschap bevinden, hoe gemakkelijker er een sprachregelung tot stand komt. Hoe meer papegaai, hoe liever herhalen. Hoe sterker de overtuiging ook dat in de herhaling de waarheid woont. Ik heb dit verhaal uit verschillende bronnen.

 

Het idee dat Hermans zich gewoon gecompromitteerd voelde in zo’n situatie kwam vanzelfsprekend niet bij ze op.

 

Geen van die intellectuele krachtpatsers zou het overigens in het Saarland tot literatuurprofessor kunnen brengen.

 

11

Een opmerking aan het adres van een jonge kunstenaar die pas iets opmerkelijks gerealiseerd heeft, maar die zijn eigen prestatie kleineert.

De erbärmliche Literatur waarmee we ons niet bezig zouden moeten houden deelt in dit land de lakens uit. Er is haast niemand wiens oordeel gewicht heeft, of zelfs maar steek houdt. Kennerschap inzake literatuur is er nog zeldzamer dan expertise in strijkinstrumenten. Alles wat die klunzen voortbrengen is ballast, schadelijk niet-weten, verkeerd ‘weten’.

Je bent besmet met spokerij en bijgeloof. Dat vermoedde je als kind al wel, maar wat kon je doen? Zelfbewustzijn ontwikkelen, maar alléén als je was… Veiligheidshalve…

Voor het geval dat er toch een voetballiefhebber bij zou wezen die niet de hele tijd vastplakt aan het TV-scherm, maar die een tocht naar kelder of voorraadkamer aanvat om de nodige voorraden aan te vullen voor bij het TV-kijken, en die in het voorbijgaan, allicht in de hoop dat álle schermen intussen voetbal vertonen, toch even een blik riskeert op het computerscherm en deze tekst ziet staan, – de tekst die u op dit ogenblik leest, geachte Betere Lezer – kunnen we in dat geval zo iemands mens- en wereldbeeld  aan het wankelen brengen?

 

Heb ik deze periode geschreven?

Baudelaire uitte zijn bewondering voor de handwerker in Brussel die doodkisten maakte voor ‘des cadavres flamands’, maar geen begrip had voor hun functie: ’zulke mooie kisten voor zulke weerzinwekkende krengen’.

 

Het codewoord voor het einde van dit stuk kan hier worden aangevraagd: oma.eurykleia@hetparadigma.eu

 

 

 

[1]  Bubb Kuyper, veiling 84, mei 2026.